Denk niet zwart – wit

Soms moet je buiten de lijntjes kleuren

Nely Barendregt begeleidt tienermoeders bij Timon in Rotterdam. Kimberly ging deze blanke mevrouw vertrouwen.

“Het was een warme, benauwde dag toen ik Kimberly voor het eerst zag. In juli 2018 kwam ze met haar dochtertje wonen op een van de locaties van Timon in Rotterdam waar wij tienermoeders begeleiden. Kimberly was net zeventien, haar dochtertje twee. Al haar spullen stonden in de kamer. Het was veel te veel. Kimberly had totaal geen overzicht en had een afkeer van hulpverleners. Later legde ze uit waar die afkeer vandaan kwam: “Blanke mensen vinden ons niet goed en willen onze kinderen afpakken.” Ze voelde zich minder omdat ze donker was.

Kimberly had een turbulent leven achter zich. Haar moeder was in Rotterdam opgegroeid, maar leefde sinds 2016 op Curaçao. Kimberley had in de gesloten jeugdzorg gezeten en was in die tijd zwanger geraakt. Ze was op Curaçao bevallen, maar was teruggekomen naar Nederland om hier haar leven op te bouwen. Ze had rondgezworven en was bij een zorginstelling beland totdat er bij ons een plek kwam. Timon helpt tienermoeders met huisvesting en het moederschap. We begeleiden bij financiën, indicaties en onderwijs en we ondersteunen bij de opvoeding.

Tot 2013 werkte ik in het bedrijfsleven. Ik wist wel veel van de zorg omdat ik ruim dertig jaar mentor en bewindvoerder was van twee zussen. In 2018 kwam ik bij Timon. Kimberly was een van mijn eerste cliënten. Ze zette die dag haar spullen in haar woning bij Timon en daarna ging ze met haar dochtertje naar haar zus in Brabant. Wekenlang liet ze niets van zich horen, maar ik ben een terriër. Met alleen een straatnaam en de achternaam van haar zwager zocht ik haar op. Ik liep alle naambordjes langs en zo vond ik Kimberly en haar dochtertje terug.

‘SOMS MOET JE BUITEN DE LIJNTJES KLEUREN’

Kimberly vertelde dat ze niet in de toegewezen woning in Rotterdam kon blijven omdat zij en haar vriend eerder lastig gevallen waren in deze buurt. Ik betwijfelde of het waar was, maar al snel werd besloten dat ze elders een appartementje zou krijgen. Haar spulletjes moesten tijdelijk worden opgeslagen totdat die plek vrijkwam. Uit haar netwerk wilde niemand haar meer helpen verhuizen. Ik regelde een aanhanger, huurde een opslagruimte en met een paar man uit de nachtopvang verhuisden we de boel. Kimberly vond het heel speciaal dat ik dit voor haar deed. Sinds die dag vertrouwde ze me.

Ik begeleidde haar intensief en daarbij was ik altijd supereerlijk. Begin dit jaar wilde ze iets bespreken, maar ze wist niet goed hoe. Ze bleek weer zwanger. Ik vroeg of ze blij was en of ik haar mocht feliciteren. Dat was niet zo. Ze wilde een abortus. In principe ben ik tegen abortus, maar vaak zie ik dat er meer problemen komen als de zwangerschap doorgezet wordt. Dus ik steunde haar. Later zei ze: “U werd niet boos en gaf geen oordeel, dat vond ik fijn.”

Kimberly en haar vriend woonden toen samen met haar ene dochtertje. Regelmatig kwam de politie aan de deur vanwege geluidsoverlast of ruzies. Er lagen twee meldingen bij Veilig Thuis omdat haar dochtertje getuige was van het geweld. Toen de situatie precair werd, regelde ik via een fonds een ticket en een paspoort zodat de kleine naar Kimberly’s moeder in Curaçao kon. We waren net op tijd op Schiphol, want ze moest die ochtend nog het paspoort ophalen. Dat had ze niet tijdig geregeld. En ze moest ook nog even nepwimpers kopen.

Aanvankelijk kwam er rust, maar haar vriend bleef komen en ging steeds meer drinken waardoor er weer veel ruzie was. Uiteindelijk zette de woningstichting haar uit huis en moesten we weer alles opslaan. Soms moet je buiten de lijntjes kleuren. Dat heb ik gedaan bij Kimberly. Inmiddels is de kleine weer in Nederland. Kimberly’s moeder blijft hier wonen zodat ze beter voor haar dochter en kleindochter kan zorgen. Dat geeft veiligheid.

Pas geleden is Kimberly achttien jaar geworden en ze vroeg of ik haar nog wilde blijven begeleiden. Mijn manager is akkoord gegaan, want als we haar nu loslaten, gaat het zeker fout. Daar is ze dolblij mee. Ik heb gezegd dat ik blijf, maar dat ik niet meer alle shit ga oplossen.”

In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. De kracht van het alledaagse publiceert elk verhaal afzonderlijk. Het boek staat ook online. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl. Gezien de beperkte oplage kunt u slechts één boek bestellen en op is op! Boek ‘Jeugdprofessionals over die ene jongere’

Kleine pittig mannetje

Kleine man, kom maar

Natasja de Vries was groepsleider op een afdeling voor jonge kinderen bij Jeugdhulp Friesland. Lucien kwam daar toen hij zes jaar oud was en bleef er ruim twee jaar.

“Lucien kwam binnen met een tas vol medicijnen voor zijn gedrag. Een tenger ventje van zes, wat gelaten. Ik zag een lief muisje. Aan zijn ogen kon je zien dat hij al veel had meegemaakt. Hij had een moeilijke start gehad bij zijn moeder en was in een pleeggezin geplaatst. Daar was het mis gegaan. Hij werd gebracht door twee enorm verdrietige pleegouders. Lucien ontwrichtte het pleeggezin. Ze konden het niet meer aan.

Ik was groepsleider op de crisisafdeling, waar kinderen langer konden blijven als dat nodig was. Lucien ging vrij snel mee in de structuur. Hij ging naar school, draaide muziek op zijn kamer en zat soms bij mij op schoot tv te kijken. Zo kregen we contact. We legden uit dat hij hier lang kwam logeren en vertelden waarom hij hier was. Dat wist hij wel. Hij praatte met een hoog stemmetje: “Ja, want het ging niet goed. Ik was heel vaak boos. Dan ging ik dingen doen die niet mochten.”

Lucien begon te wennen en zijn problemen kwamen aan de oppervlakte. Er kwam een kind tevoorschijn met trauma’s en angsten. Als hij iets moest wat hij niet wilde of waarvan hij dacht dat hij het niet kon, raakte hij ontregeld. Dan liet hij primair gedrag zien en ging gillen, huilen of schreeuwen. Hij kon de groep verlaten en in zijn nakie terugkomen, helemaal in paniek omdat hij zichzelf niet meer onder controle had. Hij maakte spullen kapot of ging dwangmatig repeterend schelden: “Stommerd, stommerd, stommerd”. Net zolang totdat hij moe werd of we hem afleidden.

Hij werd mijn mentorkind. Kleine man, kom maar, dat gevoel riep hij bij me op. Ik ging voor hem door het vuur. Samen gingen we op zoektocht. De psychiater gaf medicatie waardoor zijn concentratie verbeterde. De therapeut deed veel rondom hechting en trauma. De gezinsvoogd zorgde voor een veilige omgangsregeling. Daar had hij allemaal baat bij.
Ik ging harder strijden toen ik erachter kwam dat zijn school geen rekening hield met de oorzaak van zijn gedrag. Hij haalde er vaak kattenkwaad uit. Op een gegeven moment moest hij in een apart hokje zitten en kreeg hij een eigen lesprogramma om te kijken wat hij aankon. Als hij tien kruisjes had gehaald, mocht hij terug naar de klas. Dat lukte natuurlijk niet. Als je een boek op zijn tafel legde, wilde hij de Donald Duck lezen en dan was er strijd. Op de groep hadden we een manier gevonden daarmee om te gaan. Ok, lees jij de Donald Duck maar, dan lezen we daarna ook mijn boekje. School wilde daar niet in mee. Hij werd geschorst toen hij het brandalarm ingedrukt had en de hele school moest worden ontruimd.

Hij had ook een andere kant. Iedere week werd hij door Jan, onze facilitair medewerker naar therapie gebracht met de auto. Toen Jan jarig was kocht Lucien van zijn zakgeld een pannetje, want Jan kookte soms voor ons. Ook kocht Lucien een blauwe parkeerschijf want: “Als Jan me wegbrengt moet hij parkeren en denkt hij altijd dat de parkeerwachter hem een bon geeft. Dan wordt hij een paniekpiet.”

Door die puurheid wilde ik dat hij op een goede plek terecht zou komen, een plek waarbij ik het vertrouwen had dat ze hem echt gingen zien. We brachten zijn steunfiguren in kaart: zijn therapeut, zijn pleegmoeder, zijn moeder en ik. Vier vrouwen had hij om zich heen. Samen hebben we gekeken wat hij nodig zou hebben om in een gezinsachtige setting te kunnen leven. Uiteindelijk hebben we die goeie plek gevonden. Een gezinshuis, een mooie grote boerderij en bij ontzettend lieve mensen met veel ervaring in dit werk.

Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten

Ook in dit gezinshuis kreeg hij een terugslag. De psychiater stelde zijn medicatie daarna beter in. De gezinsmoeder investeerde enorm in de hechting en nu gaat het goed. Met de gezinsmoeder heb ik nog contact. Hij woont er ruim drie jaar nu. Het is een pittig mannetje. Hij zit in je hart, dat maakt dat je doorzet. Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten.

Ik doe ruim twaalf jaar groepswerk. Met een deel van de kinderen gaat het goed. Maar ik zie ook ieder jaar kinderen terugkomen, de zogenoemde draaideurkinderen. Soms zien we ze in de pubertijd weer op de crisisafdeling. Lucien kwam heel jong binnen en had bovengemiddelde heftige problemen. Maar ook met een onveilige hechting ben je niet verloren. Daarin geloof ik en vanuit die overtuiging wil ik blijven werken.”

Het verhaal van Natasja en Lucien komt uit de serie ‘Die ene jongere’, waarin jeugdzorgprofessionals vertellen over die jongere die ze nooit vergeten zijn. In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl.

Buiten de lijntjes

rijbewijs.png

Wat fijn dat jullie er bij kunnen zijn vandaag,’ zegt Alexander. ‘Ik wil het met jullie heel graag hebben over meneer Overstuur. Hij woont in het buitengebied, op een afgelegen plek. Zijn rijbewijs is afgenomen nadat hij met drank op achter het stuur is betrapt. Doordat hij geen vervoer meer heeft, is hij zijn baan kwijtgeraakt, zijn er schulden ontstaan en heeft hij een huurachterstand opgelopen. Allemaal dikke ellende.’

Na afloop van de bijeenkomst stapt Alexander op zijn fiets. Het zou toch wel supertof zijn als dit gaat lukken, denkt hij bij zichzelf.  Plotseling rinkelt zijn telefoon.

‘Shit, niet handig op de fiets’, verzucht hij. Hij bekijkt het nummer en neemt toch op. Het is zijn collega van het sociaal wijkteam.

Hoi Alex’, zegt Sandra in zijn oor, ‘Hoe ging het casusoverleg?’ ‘Erg goed!,’ antwoordt hij. ‘Was er nog iemand die riep “eigen schuld dikke bult”?’ ‘Nee, niemand. Het was tof hoor. We hebben met elkaar een mooi voorstel kunnen bedenken om aan meneer voor te leggen. Dat regelarme budget is hierin echt goud waard.’ ‘Mooi man! Heb je tijd om nog iets over het plan te vertellen?’ ‘Ja, dat kan nog wel even. Over een paar minuten ben ik bij mijn volgende afspraak’, antwoordt Alexander. ‘Al pratende kwamen we op het idee om de kosten voor het opnieuw halen van meneer Overstuur’s rijbewijs te betalen. Het gaat al gauw om zeshonderd tot zevenhonderd euro. Een groot bedrag voor hem, een kleine investering voor ons.’ ‘Investering?’,  vraagt Sandra. ‘Ja, we kunnen het hem lenen, niet schenken.’

Twee maanden later.

Meneer X heeft zijn rijbewijs gehaald. Zijn uitkering kon binnen een paar weken worden stopgezet omdat hij weer werk had gevonden. Schuldhulpverlening is niet nodig geweest. Van sociaal isolement is geen sprake meer.

Drempel

Helaas bleek het regelvrij budget niet echt regelvrij. Er waren intern de nodige barrières te overwinnen om dit te realiseren.

  • Bron: “Over sokken, orde en luisteren naar elkaar – 23 korte verhalen uit het sociaal domein in Stichtse Vecht”  

Mijnheer Beseibeld!

timmerman.png

  • Het ongerijmde rijmen

Gemeenten en organisaties in het sociaal domein zadelen professionals vaak onbedoeld op met taken die tegengestelde juridische regimes kennen. Het leidt soms tot idiote dilemma’s. Het antwoord: pragmatisme en de logica van het gezonde verstand. Zo leerde mij ook de casus van Mijnheer Beseibeld!

Mijnheer Beseibeld, woonachtig in gemeente A. heeft een timmermansbedrijfje in buurgemeente B. Meneer heeft een licht verstandelijke beperking en er is sprake van een vermoeden van autisme. Hij kan moeilijk aan het werk komen en de eigenaar van de grond en gebouwen heeft zich over hem ontfermd.

Op dit perceel vinden volgens de gemeente diverse activiteiten plaats die strijdig zijn met het bestemmingsplan. Dat geldt onder meer voor het timmermanbedrijfje van mijnheer Beseibeld. Omdat de gemeente het strijdige gebruik willen beëindigen, vraagt de betreffende gemeentelijke afdeling aan het sociaal team van diezelfde gemeente om voor meneer een alternatieve werkplek te zoeken. Daarbij wordt de suggestie gedaan om mijnheer dagbesteding bij een professionele zorgorganisatie aan te bieden.

De professionals van het sociaal team van gemeente B. hebben zo hun bedenkingen. Immers, mijnheer Beseibeld is tot op dit moment op eigen kracht en met behulp van zijn netwerk in staat om zijn eigen leven te leiden. Ondanks zijn beperkingen. Zo bezien is er noch een medische, noch een sociale grondslag voor een maatwerkvoorziening op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). En zelfs als die grondslag wel te vinden is, is het de vraag of het logisch is.

Omdat de afdeling Handhaving van gemeente B. niet te vermurwen lijkt, wordt besloten de kwestie voor te leggen aan de verantwoordelijk portefeuillehouder. Saillant detail: de betreffende wethouder heeft zowel bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de Ruimtelijke Ordening als voor de Wmo.

De verantwoordelijk wethouder deelt de opvattingen van het sociaal team. Ondanks het feit dat inmiddels ook is komen vast te staan dat mijnheer Beseibeld voor de Wmo aangewezen is op woongemeente A. Oftewel: eventuele Wmo-kosten komen niet voor rekening van gemeente B. “Het kan en zal niet zo zijn dat het individu hier vermalen wordt door tegenstrijdige juridische regimes.,” aldus de verantwoordelijk wethouder. Tegelijkertijd deelt zij de opvatting van de afdeling Handhaving dat er gehandhaafd moet worden. Niet in de laatste plaats ook, omdat de eigenaar en zij familie een historie hebben waar het gaat om het stelselmatig oprekken van de regels.

De opdracht voor alle betrokkenen is dus: het ene doen en het andere niet laten.

De oplossing wordt gevonden door te kijken naar de wet- en regelgeving rond mantelzorgwoningen. Verschillende gemeenten hebben in de afgelopen jaren beleid gemaakt voor het plaatsen van mantelzorgwoningen.  Als er een vergunning nodig is voor   het afwijken van een geldend bestemmingsplan kan het antwoord op de vraag of er sprake is van een zorgvraag en van een mantelzorgrelatie een rol spelen. Bijvoorbeeld bij het gebruik van de bevoegdheid een ‘kruimelafwijking’ te verlenen op basis van het Bor.

In de Wmo 2015 wordt mantelzorg gedefinieerd als ‘hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden   en   opgroeien   van   jeugdigen   en   zorg   en   overige   diensten   als   bedoeld   in   de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Mantelzorg wordt dus geleverd door iemand uit de familie-, vrienden-of kennissenkring.  De informele zorg of ondersteuning die een mantelzorger biedt, overstijgt de hulp die je normaal mag verwachten binnen een huishouden.

De relatie van de heer Beseibeld met de eigenaar/bewoners van het perceel waarop hij de – met het bestemmingsplan strijdige – activiteiten met zijn timmermansbedrijfje uitvoert, kan worden beschouwd als mantelzorg.

Van een mantelzorgwoning spreken we als een zorgvrager bij de mantelzorger gaat wonen of andersom en hiervoor een aan- of bijgebouw bij de woning van de mantelzorger geschikt wordt gemaakt. In het onderhavige geval is een bijgebouw geschikt (gemaakt) als timmermanswerkplaats.

Vergunningverlening op grond van de kruimelregeling, een AMvB, wordt mogelijk gemaakt in artikel 2.12 lid 1 onder a sub 2o Wabo. De kruimelregeling biedt veel mogelijkheden om in afwijking van het bestemmingsplan te bouwen of gronden te gebruiken. Zo ook is het op grond van de kruimellijst mogelijk om tijdelijk af te wijken van het bestemmingsplan. Het gaat dan om een periode van maximaal 10 jaar.

De portefeuillehouder stemt ermee in dat deze redenering wordt gebruikt om dit onderdeel van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het onderhavige perceel te regelen. Hiermee kan mijnheer Beseibeld zijn eigen kracht behouden en kan de gemeente ook haar rol als handhaver – ook voor het overige – rechtmatig vervullen.

Onze gezamenlijk les? Spreek je uit voordat je de conclusie trekt dat iets niet kan en ga op zoek naar mogelijkheden. Je zult nog versteld staan van wat er allemaal kan.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Dit was op de reguliere manier nooit gelukt

resultaat.png

  • De kracht van resultaatvolgend budget

Het Sociaal Wijkteam Oud Oost in Leeuwarden is vorig jaar een experiment gestart met een ‘resultaatvolgend budget’ in hulp aan huishoudens. Het uitgangspunt is het huishouden in plaats van het domein jeugd, Wmo of participatie. Er wordt gewerkt vanuit een totaaloplossing en niet vanuit de regels.

Het experiment met het resultaatvolgend budget is onderdeel van de City Deal ‘De Inclusieve Stad’ waarin vijf steden samenwerken aan nieuwe aanpakken in het sociaal domein. Hierbij gaat het erom ervaringen op te doen met een andere manier van werken in hulpverlening. In plaats van vanuit de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet apart te kijken, wordt het financieren van een gezin centraal gesteld. Wat willen zij, welke oplossingen zien zij? Daardoor zijn er geen beperkingen aan verbonden, zoals wat kan er vanuit de Wmo. Er wordt integraal gekeken naar een totaaloplossing en wat daarvoor nodig is.

Vergoeding

De ervaring leidt tot professionele oplossingen die beter aansluiten bij de inwoners. Een vergoeding vanuit het resultaatvolgend budget kan voor een middel zijn, of voor ondersteuning. Drie voorbeelden:

Medische behandeling

Het gaat hier om een inwoonster met een uitkering door een medische aandoening. Met een nieuwe behandelmethode had ze het perspectief dat erna geen vervolgbehandeling meer nodig was, maar deze werd niet vergoed door de zorgverzekeraar en de vrouw kon het zelf niet betalen. Vanuit het resultaatvolgend budget is de behandeling vergoed. Deze was succesvol en daardoor kon ze een opleiding gaan volgen en uit de uitkering komen.

Auto

Een ander voorbeeld is van iemand met een uitkering die een baan in de zorg kon krijgen. De baan was buiten de regio met wisselende diensten en niet bereikbaar met het openbaar vervoer. De vrouw had geen auto en kon die ook niet betalen. Het resultaat met baan: sociale vooruitgang, geld en werk. Voor de gemeente lag het rendement op het besparen op de uitkering. Daarom is als oplossing vanuit het resultaatvolgend budget een auto aangeschaft. Er werd afgesproken dat als ze de baan zou behouden na zes maanden de openstaande betaling zou aflossen, als ze de baan voor die tijd verwijtbaar verloor moest ze het hele bedrag terugbetalen. Ze heeft inmiddels een vaste aanstelling.

Hulpverlening op sportschool

Jonge ondernemers met een sportschool kwamen daar in contact met jongeren met meervoudige problemen, die ‘hulpverleningsmoe’ waren. De ondernemers zijn zelf ervaringsdeskundigen en wilden de jongeren in de sportschool helpen uit de problemen te komen door ze met behulp van sporten discipline bij te brengen en ‘op te voeden’. Maar ze waren geen zorgaanbieder. Vanuit het experiment met het resultaatvolgend budget konden zij tóch betaald worden voor de geboden hulp tegen een scherp tarief. Het resultaat: tevredenheid bij alle betrokkenen en de sportschool is inmiddels gecontracteerd zorgaanbieder geworden.

Doorbraak en rendement

Met de methode van het resultaatvolgend budget worden problemen niet willekeurig opgelost. Het is onderbouwd met een maatwerkplan, waarbij soms een eerste stap of doorbraak nodig is zoals een auto of het feit dat de sportschool zorg mocht bieden. Die doorbraken kun je realiseren door dit te onderbouwen vanuit rechtmatigheid, rendement en betrokkenheid. Hierdoor kun je het aan de wethouder en de buurvrouw uitleggen. Uitgangspunt is of je met hetzelfde geld mensen beter kunnen helpen. Bij de inzet van het budget worden altijd de vragen gesteld:

  • Wat gebeurt er als we niets doen? Wat kost dat dan?
  • Wat gebeurt er met de huidige mogelijkheden in het sociaal domein? Wat kost dat?
  • Wat gebeurt er met het resultaatvolgend budget? Wat kost dat?

Vertrouwen

In de praktijk is geleerd wat kan met het budget en wat niet. Het wijkteam moet vertrouwen van de gemeente krijgen dat je iets mag doen wat afwijkt. En er de tijd voor krijgen. Ook moet een sociaal werker zelf durf tonen om het echt anders aan te pakken.

Organisatieoverstijgend

Het is de bedoeling om de werkwijze over meerdere gemeenten te verspreiden, via de City Deal en het Instituut voor Publieke Waarden. De methode is overal toepasbaar met lokale vragen.

Meer over de resultaten van de maatwerkaanpak van de City Deal is te vinden in de onderzoeksrapportage van het Verwey-Jonker Instituut.

Ontschotten als sleutel

breaking walls.png

Soms is een zorg- of ondersteuningsvraag te complex en lukt het niet om een oplossing te vinden. De gemeenten Hillegom, Lisse en Teylingen (HLT) bedachten hier iets op: de ontschotter. Iemand die als ‘noodknop’ dient wanneer professionals vastlopen.

Iedereen kent ze wel, de personen of gezinnen met complexe problematiek, die vastlopen in het systeem. Vraag en aanbod van hulp lijken elkaar niet te bereiken. Of cases waar veel inspanning is geleverd, terwijl achteraf bleek dat een kleine interventie voldoende was geweest. De gemeenten Hillegom, Lisse en Teylingen (HLT) bedachten hier iets op: de ontschotter.

Wat doet een ontschotter?

Wenda Tijssen, de eerste officiële ‘ontschotter sociaal domein’ van Nederland vertelt: “Een ontschotter komt in actie als er geen beweging meer zit in iemands probleem of casus. Zij organiseert een casusplatform. Een bijeenkomst waarvoor alle professionals uitgenodigd worden die met de cliënt in gesprek zijn. De cliënt mag ook aanwezig zijn wanneer hij of zij dat wenst. Meestal kiest men hier niet voor. Omdat men er wel een beetje klaar mee is of ‘er twijfel is of dit gaat werken’.”

Doorbraak forceren

Tijdens de bijeenkomst zoeken de professionals samen naar een oplossing. Men gaat niet weg tot er een doorbraak is. Hierbij werken de deelnemers vanuit de vraag van de cliënt. Wat is het eerste probleem waar men mee zit? Wat is er nodig om dit probleem of deze vraag op te lossen? Door buiten de kaders van de eigen discipline te denken, komen er soms hele nieuwe oplossingen naar boven. De professionals werken ‘hands on’. Ze doen direct telefoontjes en aanvragen om de situatie vlot te trekken. Vaak is er nog een paar keer contact nodig voordat alles rond is. In de meeste gevallen is de casus binnen drie weken vlot getrokken. Als men er niet uitkomt heeft de ontschotter mandaat en budget om een besluit te nemen.

Leren over de werkwijze

Ieder casusplatform wordt achteraf geëvalueerd. Hierdoor wordt er veel geleerd over de werkwijze. Vertrouwen en samenwerking tussen professionals uit verschillende organisaties groeit. De samenwerking wordt verstevigd en de professionals weten elkaar vaak beter te vinden bij een volgende casus.

Drie voorbeelden van creatieve oplossingen

  1. Een meneer kreeg een beschikking voor dagbesteding om meer te gaan bewegen op 30 minuten reizen van zijn huis. Meneer had maar energie voor 1,5 uur per dag, dus dit hielp niet. Als tuinliefhebber heeft hij toen verhoogde bloembakken gekregen. Zodat hij vanuit zijn rolstoel zijn tuin bij kan houden. Nu heeft hij de dagbesteding die hij wil. Dit kon eerst niet omdat de gemeente bang was dat iedereen dit soort dingen zou gaan aanvragen.
  2. Een jong volwassene moest uit haar kamer. Ze had een laag inkomen en schulden. Daardoor was het moeilijk om een andere kamer te krijgen. Ze had een aanvraag gedaan bij het noodfonds om haar te helpen garant te staan. Maar haar aanvraag werd afgewezen omdat het niet om ‘zelfstandige woonruimte’ Door inzet van het casusplatform werd toch garant gestaan voor één maand huur. Zo heeft ze een nieuwe kamer kunnen krijgen en wordt ze nu ondersteund bij  het wegwerken van haar schulden.
  3. Een meneer met veel beperkingen moet eigenlijk naar een verpleeghuis omdat hij ieder moment kan omvallen en dan geen hulp meer kan inroepen. Tijdens het casusplatform kwam de fysiotherapeut met het idee om een hulphond in te zetten. Meneer houdt van honden en de hond kan een alarmbel indrukken. De hulphond wordt nu opgeleid.

Succesfactoren

Waarom werkt dit? Er zijn meerdere redenen waarom de ontschotter vooruitgang boekt:

  • De ontschotter beschikt over ‘handgeld’ van de gemeente. De ontschotter kan zelf geld besteden om een (voor)financiering te doen. Deze financiering wordt vaak alsnog via de normale wetten en fondsen ingediend en gehonoreerd. Maar nu is er budget beschikbaar om out-of-the-box-oplossingen te financieren. Deze manier van financieren geeft veel ruimte om vanuit de vraag van de cliënt te handelen.
  • De ontschotter krijgt het mandaat van de gemeenten om te doen wat nodig is. Hiermee neemt de gemeente verantwoordelijkheid voor ingewikkelde cases die anders vast zouden lopen.
  • Er zit veel kracht in de titel ‘ontschotter van de gemeenten’. Deze titel opent al veel deuren die wij niet kunnen openen.. De titel geeft aan dat er noodzaak is om vaart in de casus te krijgen.
  • De ontschotter bezit ten minste twee competenties. Een zekere mate van doorzettingskracht en resultaatgerichtheid. Tijssen: ‘Mensen ervaren mij wel eens als drammerig ja. Tegelijkertijd erkent men ook dat dit de doorbraak mogelijk maakt.’

Randvoorwaarden

Wat zijn de randvoorwaarden om te ontschotten? Wethouder sociaal domein Arno van Kempen: ‘We zijn andersom gaan redeneren, meer vanuit de ‘menselijke maat’. We kijken naar datgene wat de inwoner nodig heeft. Vervolgens kijken we hoe dat binnen de financieringsstromen past. Tot nu toe is dit altijd gelukt. Mocht het nodig zijn om hierbij de regels te overtreden, dan leg ik dat uit aan de gemeenteraad. Niet iedereen is het hiermee eens, het is geen reguliere gang van zaken. Maar bij veel mensen verbetert de aanpak de kwaliteit van leven en besparen we geld.’

Bestuurlijke rugdekking

Wenda Tijssen: ‘Deze houding van de wethouder is de bestuurlijke rugdekking die je nodig hebt. Hierbij valt of staat het slagen van de ontschotter. Zonder deze steun mis je het mandaat om echt een slag te maken. Het is dé randvoorwaarde voor het slagen van deze opdracht.’

Redeneren vanuit de cliënt

Ook is een kanteling in de werkwijze nodig (omdenken). Men is gewend te redeneren vanuit de mindset van regels. De nieuwe werkwijze daagt uit om nog meer te redeneren vanuit de cliënt. Wat is nou het allerbeste voor de cliënt?  Wachten, een normale route of juist zo snel mogelijk een aanvraag regelen zodat het niet escaleert?

Mond-tot-mond reclame

De ontschotter hoefde niet gepromoot te worden. Mond-tot-mond reclame deed zijn werk. Door kennis te maken met verschillende teams en organisaties begon het vanzelf te lopen. De laatste tijd bellen ze zelfs van buiten de betrokken gemeenten voor advies in omdenken.

Bron: De gemeenten Hillegom, Lisse en Teylingen (HLT).

Dit praktijkvoorbeeld is tot stand gebracht door: Arno van Kempen: Wethouder sociaal domein Teylingen, Ine van Holland: Domeinmanager sociaal domein HLT-gemeenten, Astrid ter Horst: coördinator bij MEE, Karel Jan Cebol: consulent bij MEE en Wenda Tijssen: Ontschotter Sociaal Domein HLT.

Kan het echt zo simpel?

eigen kracht.png

  • Vluchtruimte

De jeugdbeschermer was teleurgesteld: “Plannen die cliënten met hun netwerk maken, bevatten altijd wel elementen die ik zelf niet zou kunnen bedenken. Daarom vind ik het belangrijk dat mensen hun eigen plan maken, zonder mij erbij. Maar dit plan is zo vrijblijvend dat ik niet goed weet wat ik ermee moet.” Hij belde één van mijn collega’s om te overleggen. Het plan voldeed aan de voorwaarden die hij zelf vooraf had gesteld aan veiligheid. Hij zou het plan dus moeten goedkeuren, maar hij twijfelt.

Noodnummers
Stap voor stap nam mijn collega het plan met hem door. De voorwaarden zijn goed gedekt. Als de spanning in huis oploopt kan de oudste zoon naar de buren of naar vrienden verderop. Als die er niet zijn, zijn er drie nummers die hij kan bellen. Voor moeder zijn er twee noodnummers en een vriendin waar ze naar toe kan. Bezoek van de vriend van moeder zal niet meer plaatsvinden als de kinderen er zijn. “Er staat echter niets in over een weerbaarheids- of assertiviteitstraining voor moeder of therapie voor de kinderen,” zuchtte de jeugdbeschermer. “Ik heb veel informatie gegeven over mogelijkheden en het netwerk vond ook dat professionele hulp nodig was. In het plan staat er niets over. Dat kan toch nooit goed gaan?”

Evaluatie
De jeugdbeschermer snapte dat training of specifieke hulp zijn wensen zijn en niet direct over veiligheid gaan. “Toch blijf ik het gevoel houden dat hier meer nodig is.” Gelukkig staan in het plan aanknopingspunten om de vinger aan de pols te houden. De eerste drie maanden is er elke vier weken een evaluatiemoment met alle betrokkenen. “Daar kan ik aansluiten!”
 
Steviger
Deze week sprak mijn collega hem voor een nieuwe aanmelding. Hij begon er zelf over: “Weet je nog die conferentie van een paar maanden terug, waar ik zo van baalde? Het gaat boven verwachting. Doordat moeder en zoon allebei een vluchtroute hebben als het mis dreigt te gaan, gaat het niet meer mis. De steun van de mensen om hen heen, al is het alleen maar dat ze kunnen bellen of langs kunnen gaan, maakt dat ze allebei steviger in hun schoenen staan. Ik kan de voortgang goed in de gaten houden zonder dat ik hoef aan te dringen op oplossingen, want het gaat nu gewoon. Dat het zo simpel kon zijn, kon ik vlak na de conferentie echt niet geloven.” 

  • Bron: Eigen Kracht Centrale | Postbus 753 | 8000 AT Zwolle

Natuurlijk dichtbij

dagbesteding heusden

  • Nieuwe dagbesteding in Vlijmen zorgt voor verbinding

9 aanbieders in de sector zorg en welzijn in Vlijmen hebben een informele dagbesteding opgezet in de centraal in de gemeente gelegen sporthal. Iedereen is er welkom om binnen te lopen en wijkverpleegkundigen zien hoe goed het mensen doet als ze van die mogelijkheid gebruikmaken. De verwachting is dat door dit initiatief op termijn mensen minder snel op basis van een indicatie naar het bestaande aanbod voor dagbesteding hoeven.

Jan van der Lee, net 70 geworden, woont al zijn hele leven in Vlijmen. Na zijn pensioen ging hij gebruikmaken van dagbesteding in Den Bosch, maar daar moest hij na verloop van tijd weg toen de gemeente Heusden niet langer een contract had met de Bossche aanbieder. Een zorgboerderij in Giesbergen bood uitkomst. ‘Mijn vader was jager en nam mij vaak mee’, vertelt hij, ‘ik voelde me wel thuis in die omgeving. Maar ik zag wel dat de mensen van de zorgboerderij voor mij maar weinig hoefden te doen. Veel andere bewoners waren licht dementerend en hadden veel meer zorg nodig. Ik mocht zo iemand niet eens meenemen als ik een eindje ging lopen, en dat doe ik graag. Dus ging ik eens kijken bij het sportcentrum in Vlijmen, want ik hoorde dat daar een nieuwe dagbesteding was opgezet. En die bevalt me prima. Het is dichtbij waar ik woon en die zorgboerderij werd bovendien door de eigen bijdrage ook wel erg duur voor me. Hier betaal ik 5 euro per dag en daarvoor krijg ik ’s middags een warme maaltijd en alle koffie of thee die ik wil.’

9 organisaties

Dat die nieuwe voorziening voor dagbesteding er is gekomen in Vlijmen, heeft te maken met de substitutie van taken naar de gemeenten per 1 januari 2015. ‘De gemeente Heusden – waaronder Vlijmen bestuurlijk valt – wilde niet alleen bezuinigen op de uitgaven voor dagbesteding, maar had ook de visie dat het mogelijk moest zijn om de participatie voor de doelgroepen voor de dagbesteding te vergroten’, zegt Nicole Hendriks. Zij is projectleider van het In voor zorg-project “Cirkels van het gewone leven” en betrokken bij het opzetten van een alternatieve dagvoorziening voor inwoners in Vlijmen een onderdeel vormt.

Hierbij zijn negen organisaties betrokken: Contour de Twern, Thebe, RIBW Brabant, Prisma, Schakelring, Modus, MEE, Juvans en de GGD. Een aantal daarvan biedt al dagbesteding voor hun diverse doelgroepen en het is ook de bedoeling dat die blijft bestaan voor mensen die daarvoor een indicatie krijgen. ‘Maar er zijn ook genoeg mensen zonder indicatie die toch behoefte hebben aan verbinding in hun eigen woonomgeving’, zegt Hendriks. ‘Daarom wilden we die los van de 9 organisaties opzetten, zo natuurlijk, dichtbij en laagdrempelig mogelijk.’

De burger centraal

Het mooie is dat die 9 organisaties geen van alle hun stempel drukken op het nieuwe initiatief, maar wel allemaal vanuit hun eigen discipline kennis inbrengen, stelt Marieke Kouwenberg, wijkverpleegkundige bij Thebe. ‘Soms komen 2 van die 9 partijen bij één cliënt zonder dit van elkaar te weten’, zegt ze, ‘daaraan kunnen we nu wat doen. Niet door elkaar te beconcurreren, maar door de burger centraal te stellen.’

Zo’n samenwerking begint met kennismaking. ‘Gewoon bij elkaar gaan zitten met zijn negenen en gaan brainstormen’, zegt Kouwenberg. ‘Voor Thebe werd de voorliggende vraag meteen heel concreet omdat een van de locaties voor dagbesteding, voor senioren met een indicatie hiervoor, dicht moest.’

Hendriks zocht contact met de manager van zwembad en sportcentrum De Heygraven dat midden in Vlijmen ligt. ‘We hadden meteen een klik want hij had dezelfde visie als wij: een laagdrempelige voorziening bieden voor iedereen in de wijk. Hij had bijvoorbeeld al aan een vrouw in de buurt, die thuis niet kon douchen, aangeboden: kom dat dan hier doen, alle voorzieningen zijn er. Het gebouw heeft zoveel faciliteiten. Er zijn geen drempels, er is een invalidentoilet en een keuken en het had al een buurtfunctie voor schoolzwemmen, sportclubs en zwemmen voor mensen met kanker. Precies het soort voorziening dat we zochten voor alle gemeenten die onder de vlag van Heusden vallen.’

Gezellig en laagdrempelig

Zo waren de mensen van die dagvoorziening van Thebe die ging sluiten weer verzekerd van een plek. ‘Een paar van hen tenminste’, zegt medewerker Marie-Therese Elshout van Thebe, die de verantwoordelijkheid voor deze locatie heeft. ‘Sommigen hadden teveel zorg nodig om van deze voorziening gebruik te kunnen maken. En in sommige gevallen hadden familieleden al een ander alternatief gevonden omdat ze de continuïteit van de dagvoorziening voor hun naaste wilden veiligstellen. Maar degenen die wel overgingen naar hier, waren meteen enthousiast. Zelfs de oudste, 95 nu, zei meteen: “Wat is het hier gezellig hè”. Begrijpelijk, want het is hier echt laagdrempeliger. Inmiddels maken we al mee dat iemand gewoon binnenloopt met: “Ik heb gehoord dat dit er is, ik kom eens kijken”. Precies zoals het bedoeld is.’

Maar: het ging om meer mensen dan alleen die enkelen van die dagvoorziening van Thebe die dichtging. In de plannen was een brede doelgroep geformuleerd: iedereen die behoefte heeft aan dagbesteding, met uitzondering van mensen die niet zelfredzaam zijn en dus een indicatie krijgen voor formele dagbesteding. ‘Het groeide wel al snel maar de start had toch een beetje een trend gezet: ouderen brengen ouderen mee’, zegt Kouwenberg. Hendriks vult aan: ‘Nu zijn we aan het kijken of de mensen met een verstandelijke beperking voor wie nu dagbesteding in Waalwijk bestaat niet net zo goed hier naartoe kunnen. Door ze patronen aan te leren, kunnen ze een bijdragen leveren zoals koffie serveren of helpen met de lunch.’

Zorgen voor bekendheid

Ook op andere fronten worden stappen gezet om meer mensen naar de nieuwe dagbesteding te leiden. Door de praktijkondersteuners in de huisartspraktijken te informeren over het bestaan ervan bijvoorbeeld. Want zoals Kouwenberg het zegt: ‘Als je de praktijkondersteuners mee hebt, heb je de huisartsen ook. Verder zijn we in gesprek met de aanbieders van het Thomashuis, een setting voor mensen met een verstandelijke beperking, in Nieuwkuijk. Tegelijkertijd willen we het ook een beetje natuurlijk laten ontstaan. We zien inmiddels dat al meerdere mensen spontaan komen binnenlopen. Ook beginnen zich vrijwilligers te melden. Al vraag ik mij af of in dit verband het woord vrijwilligers op zijn plaats is. Ook dit zijn mensen die een zinvolle dagbesteding zoeken, iedereen die hier binnenloopt komt iets halen en brengen.’

De 3 verwachten dat gaandeweg ook meer contacten binnen de locatie zelf zullen ontstaan, al gaat dat nog niet altijd spontaan. Elshout vertelt: ‘Het is nog niet altijd makkelijk om mensen mee te krijgen. Ik heb aan mensen van een sportvereniging die hier komt al eens gevraagd of onze bezoekers eens mogen komen mee sporten. Maar dat blijkt dan toch nog moeilijk te liggen. “Onze sporters kennen elkaar”, krijg ik dan te horen. Ik wil dat wel een keer voor elkaar brengen, maar je moet dat tijd gunnen.’ Je moet het niet forceren, vindt Kouwenberg ook. ‘Uiteindelijk zien mensen de meerwaarde wel’, zegt ze. ‘Het is gezelliger hier dan in een kleedkamer denk ik.’

Groeiproces

Maar tegelijkertijd is het geen doel op zich om vanuit alle 9 aan het project deelnemende organisaties mensen binnen te krijgen. ‘We nemen het in ons werk mee als mogelijkheid’, zegt Henriks. ‘De boodschap is: “Kom gewoon eens kijken”. Het is een groeiproces en misschien is er op bepaalde fronten nog wel een gevoelsmatige drempel op dit moment. Bijvoorbeeld om te accepteren dat ook mensen met een verstandelijke beperking hier komen voor hun dagbesteding.’

Elshout vult aan: ‘Vaak blijkt die drempelvrees onnodig, ik merk dat ook aan mezelf. Een tijdje geleden kregen we hier voor het eerst een blinde vrouw op bezoek. Ik had nog nooit met blinden gewerkt dus vond dat onwennig. Maar het ging vanaf het begin goed, het ligt eraan hoe je er als begeleider in staat. Ik voelde me veilig door de betrokkenheid van de 9 organisaties, je weet wie je kunt bellen als het nodig is.’

Kouwenberg zegt wel dat de groei van het aantal mensen dat de nieuwe locatie weet te vinden uiteindelijk gevolgen zal hebben voor de bestaande aanbieders van dagbesteding. ‘Die aanbieders proberen natuurlijk ook mensen binnen te krijgen, daar zijn ze financieel afhankelijk van’, zegt ze. ‘In dat licht kan ik mij voorstellen dat ze ons als concurrent zien, maar dat zijn we natuurlijk niet. Er is zoveel behoefte aan dagbesteding dat er voldoende ruimte is voor alle partijen. Wel denk ik dat op termijn alleen nog mensen met een hogere zorgzwaarte bij de formele aanbieders terecht zullen komen, niet meer de mensen met een sociale indicatie. Dat is ook hoe het beleid bedoeld is. Je ziet ook dat het gaandeweg beter gaat met de mensen die hier komen. Ik merk dat ook als ik bij ze thuis kom. Ze hebben minder zorg nodig, ze worden geprikkeld.’

  • Interview door Frank van Wijck