Jong volwassen

Die ene jongere

Desiree Honkoop is jeugdzorgwerker bij Parlan in Noord-Holland. Natalia was zeventien jaar toen ze vanuit de crisisopvang begeleid kwam wonen op de groep van Desiree.

“Natalia kwam alleen naar het eerste gesprek. Meestal hebben jongeren iemand bij zich, een ouder of een andere hulpverlener bijvoorbeeld. Natalia niet. Ik vond het nogal wat. Daar heb je lef en moed voor nodig. Natalia was zeventien jaar en ze zag er verzorgd uit. Ze had een maand op de crisisopvang gezeten en wilde bij ons in het begeleid-wonen-traject. Ze kwam wat gereserveerd over. Ze gaf antwoord op vragen, maar vertelde niet meer dan nodig. Ik zag wel dat ze verdrietig was. Ze kon snel bij ons terecht. Ik werd haar mentor. Tussen Natalia en haar ouders liep het niet goed. De band met haar vader was slecht. Hij begreep haar niet.

Natalia kon depressief zijn. Ook keurde vader haar relatie af omdat haar vriend Marokkaans was, maar Natalia weigerde haar vriendje aan de kant te zetten. Tussen Natalia en haar moeder was het contact beter, maar moeder nam het nooit voor haar op als ze ruzie had met haar vader. In de tijd dat Natalia bij ons woonde, was ze weinig open over haar vriendje en nam ze hem nooit mee naar binnen. Hij kwam haar altijd ophalen en terugbrengen. We waren scherp op loverboy-achtige praktijken, vooral ook omdat Natalia vaak gehaald en gebracht werd terwijl ze een zelfstandige meid was. We waren niet meteen veroordelend, maar hielden onze ogen en oren wel open.

‘WILDE NIEMAND EEN SLIMME MEID HELPEN NAAR VOLWASSENHEID?’

Natalia zat op het vwo en op school ging het goed. Ze had wel gesprekken bij de ggz omdat ze last had van angsten. Toen ze bij ons tot rust gekomen was, werd vanuit de ggz systeemtherapie ingezet met als doel het contact met haar ouders te herstellen. Die gesprekken gingen moeizaam. Vooral de vader bleef erop hameren dat Natalia haar relatie op moest geven. Na verloop van tijd concludeerde de systeemtherapeut dat doorgaan weinig zin meer had.

Toen Natalia achttien werd, moest ze weg bij ons. Ze wilde een eigen plekje en vond het niet verstandig om bij haar vriendje in te trekken. Haar eigen ouders wilden niets bijdragen, wat hen betreft kon hun dochter weer thuis komen wonen. Ze had een bijbaantje, zat in het voorlaatste jaar van het vwo, maar had meer geld nodig om zelfstandig te kunnen wonen. Ook zou ze moeten stoppen met therapie omdat ze de eigen bijdrage niet kon betalen.

We zaten in een patstelling. Om een aanvullende uitkering te krijgen, had ze een kamer nodig. Om een kamer te huren, had ze een uitkering nodig. Het maakte me zo boos. Wilde dan niemand een hardwerkende, slimme meid verder helpen naar volwassenheid? Uiteindelijk kreeg Natalia via een kerkfonds een schenking. Daarmee kon ze een kamer huren en had ze een adres waardoor ze een aanvullende uitkering kon aanvragen. De ggz had ondertussen een potje gevonden zodat haar therapie wel kon doorgaan.

Het jaar erop kreeg ik een appje dat ze was geslaagd. Met een grote bos bloemen ging ik onaangekondigd naar haar diploma-uitreiking. Haar moeder en zus, haar vriendje en diens ouders, allemaal zaten ze trots naast elkaar in een rij. Alleen haar vader ontbrak. Na afloop zag Natalia me en moest ze enorm huilen. Ze kon niet bevatten dat ik de moeite genomen had om naar haar diploma-uitreiking te komen.

Natalia zit inmiddels op de universiteit en is nog steeds samen met haar vriend. Zij heeft het gered, maar veel jongeren staan er alleen voor op hun achttiende. Er wordt veel van ze verwacht. Wanneer je als achttienplusser geen netwerk hebt, moet je ineens overal in je eentje mee dealen, terwijl je dan juist de rust en veiligheid nodig hebt om nog even door te groeien.

Uiteindelijk heeft Parlan haar casus uitgewerkt om gemeenten te overtuigen dat jongeren die achttien jaar worden en uit de jeugdzorg komen nog steun nodig kunnen hebben. Dat heeft enig resultaat gehad. Sommige jongeren krijgen nu ook na hun achttiende enkele maanden leefgeld. Daarnaast is er een uitstroomproject bij enkele gemeenten en woningcorporaties gekomen. 18-plussers krijgen daar een vervolgplek, mits ze ambulant in begeleiding blijven. Daar heeft het verhaal van Natalia echt aan bijgedragen.”

In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. De kracht van het alledaagse publiceert elk verhaal afzonderlijk. Het boek staat ook online. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl. Gezien de beperkte oplage kunt u slechts één boek bestellen en op is op! Boek ‘Jeugdprofessionals over die ene jongere’

De rauwe werkelijkheid

Die ene jongere

lly van der Aalst is ambulant hulpverlener spoedhulp bij de Combinatie Jeugdzorg in Zuidoost- Brabant. Ze werkt bijna veertig jaar in de jeugdzorg. Het verhaal van June is haar het meest bijgebleven.

“De eerste keer dat ik June zag, was ze in shock. Als ambulant hulpverlener spoedhulp bracht ik haar naar een crisispleeggezin omdat er een voorlopige voogdijmaatregel was uitgesproken. Van daaruit zou bekeken worden of June terug kon naar haar moeder. Haar ouders hadden elkaar leren kennen in Afrika. June heeft een Nederlandse vader en een Afrikaanse moeder. Toen ik June zag, waren haar ouders niet meer bij elkaar en was haar vader niet meer in beeld.

De moeder van June was hiv-positief. June was vanaf haar geboorte hiv- besmet. Haar moeder ontkende dat, maar de medisch specialist vond dat June het moest weten. June was toen zestien, de leeftijd waarop je zelf wettelijk over medische zaken mag beslissen. De situatie was urgent want zonder medicatie is hiv levensbedreigend. Omdat haar moeder bleef weigeren, had de specialist Veilig Thuis ingeschakeld. In diverse gesprekken werd geprobeerd de moeder over te halen om met behandeling van haar dochter in te stemmen. Helaas zonder resultaat, waarna de kinderrechter de voorlopige voogdijmaatregel uitsprak.

June wist nog van niks toen ze uit de klas werd gehaald en door twee jeugdbeschermers naar het ziekenhuis werd gebracht. Daar hoorde ze dat ze hiv had en dat haar moeder behandeling weigerde. Dat was een enorme schok voor haar. Ze kreeg te horen dat ze een ernstige chronische ziekte had, werd bij haar moeder weggenomen en vervolgens in een pleeggezin geplaatst. En dat terwijl ze nog nooit een nacht zonder haar moeder had doorgebracht.

‘HET IS GOED DAT ZE HAAR EIGEN PROCES MOCHT DOORMAKEN’

De jeugdbeschermer en ik gingen snel met de moeder praten. We hoopten dat haar houding zou veranderen nu alles open lag. Maar moeder ging schreeuwen en sloeg hard met haar hand op de bijbel. Het was háár kind, zíj besliste erover en haar dochter was níet besmet. Alle hoop vervloog bij mij. Ik zag veel liefde tussen moeder en dochter, maar ook een trotse vrouw die vanuit haar geloofsovertuiging alleen op God vertrouwde. Er was geen ruimte voor het medische verhaal. June wilde niets liever dan naar huis en smeekte haar moeder om de waarheid te accepteren, maar die bleef ontkennen.

Na een aantal maanden ging June weer bij haar moeder wonen. Dit was haar eigen wens en de gezinsvoogd, de kinderrechter en ik stonden hierachter. Het beeld dat June thuis knuffelend tegen haar moeder aanlag en ontspande, zal ik nooit vergeten. Kort daarna kreeg June het advies van de medische specialist om medicijnen te gaan slikken. Ze besloot dit buiten medeweten van haar moeder te doen en om niet de confrontatie aan te gaan. Op een avond belde June mij in totale paniek. Haar moeder had de medicijnen gevonden. Hysterisch was ze June gaan slaan en had ze geprobeerd haar met een elektriciteitskabel te wurgen. Aan de politie vertelde haar moeder dat het een puberruzie was. Pas toen June zachtjes aangaf dat haar moeder haar geslagen had en verbood medicijnen te slikken, beseften de agenten de ernst en namen June mee naar het bureau. Daar trof ik haar huilend en in paniek aan.

Er volgde een zware tijd. Via een pleeggezin ging June richting woonbegeleiding om te leren zelfstandig te wonen. Ze kreeg depressieve klachten. Langzamerhand herstelde ze toch weer het contact met haar moeder. Ze maakte zich zorgen. Moeder werd zieker en June ontdekte dat er psychische problemen speelden. Haar moeder was eenzaam. Ze had een contact via haar kerk, verder was er geen netwerk.

Ondanks alles lukte het June de havo af te ronden. Bij de diploma- uitreiking zag ik haar moeder weer. Ze strompelde en was snel achteruitgegaan. Ze verwaarloosde zichzelf en kreeg waanbeelden. Niet veel later moest de politie haar voordeur forceren en werd moeder naar een ziekenhuis gebracht. Daar knapte ze wat op, maar verdere hulp bleef ze weigeren. Ze werd dakloos, tot ze via de kerk weer een plekje kreeg.

June is nu twintig jaar. Ze woont zelfstandig en volgt een hbo- opleiding. Ze is een lieve, aardige en knappe meid, maar ze is ook beschadigd. Ze heeft nauwelijks een netwerk en heeft weinig mensen met wie ze haar bijzondere geschiedenis kan delen. We lunchen eens in de twee maanden. Ik leer ook dingen van haar. Ik heb bewondering voor haar veerkracht. We hebben een risico genomen door June terug te laten gaan naar haar moeder. Het is precair geworden, wat we niet hadden ingeschat. Als het fout afgelopen was, had iedereen naar jeugdzorg gewezen. Toch sta ik nog steeds achter dit besluit. June heeft zelf de werkelijkheid over haar moeder ontdekt. Het is goed dat ze haar eigen proces mocht doormaken. Daardoor heeft ze het beter kunnen verwerken.”

In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. De kracht van het alledaagse publiceert elk verhaal afzonderlijk. Het boek staat ook online. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl. Gezien de beperkte oplage kunt u slechts één boek bestellen en op is op! Boek ‘Jeugdprofessionals over die ene jongere’

Denk niet zwart – wit

Soms moet je buiten de lijntjes kleuren

Nely Barendregt begeleidt tienermoeders bij Timon in Rotterdam. Kimberly ging deze blanke mevrouw vertrouwen.

“Het was een warme, benauwde dag toen ik Kimberly voor het eerst zag. In juli 2018 kwam ze met haar dochtertje wonen op een van de locaties van Timon in Rotterdam waar wij tienermoeders begeleiden. Kimberly was net zeventien, haar dochtertje twee. Al haar spullen stonden in de kamer. Het was veel te veel. Kimberly had totaal geen overzicht en had een afkeer van hulpverleners. Later legde ze uit waar die afkeer vandaan kwam: “Blanke mensen vinden ons niet goed en willen onze kinderen afpakken.” Ze voelde zich minder omdat ze donker was.

Kimberly had een turbulent leven achter zich. Haar moeder was in Rotterdam opgegroeid, maar leefde sinds 2016 op Curaçao. Kimberley had in de gesloten jeugdzorg gezeten en was in die tijd zwanger geraakt. Ze was op Curaçao bevallen, maar was teruggekomen naar Nederland om hier haar leven op te bouwen. Ze had rondgezworven en was bij een zorginstelling beland totdat er bij ons een plek kwam. Timon helpt tienermoeders met huisvesting en het moederschap. We begeleiden bij financiën, indicaties en onderwijs en we ondersteunen bij de opvoeding.

Tot 2013 werkte ik in het bedrijfsleven. Ik wist wel veel van de zorg omdat ik ruim dertig jaar mentor en bewindvoerder was van twee zussen. In 2018 kwam ik bij Timon. Kimberly was een van mijn eerste cliënten. Ze zette die dag haar spullen in haar woning bij Timon en daarna ging ze met haar dochtertje naar haar zus in Brabant. Wekenlang liet ze niets van zich horen, maar ik ben een terriër. Met alleen een straatnaam en de achternaam van haar zwager zocht ik haar op. Ik liep alle naambordjes langs en zo vond ik Kimberly en haar dochtertje terug.

‘SOMS MOET JE BUITEN DE LIJNTJES KLEUREN’

Kimberly vertelde dat ze niet in de toegewezen woning in Rotterdam kon blijven omdat zij en haar vriend eerder lastig gevallen waren in deze buurt. Ik betwijfelde of het waar was, maar al snel werd besloten dat ze elders een appartementje zou krijgen. Haar spulletjes moesten tijdelijk worden opgeslagen totdat die plek vrijkwam. Uit haar netwerk wilde niemand haar meer helpen verhuizen. Ik regelde een aanhanger, huurde een opslagruimte en met een paar man uit de nachtopvang verhuisden we de boel. Kimberly vond het heel speciaal dat ik dit voor haar deed. Sinds die dag vertrouwde ze me.

Ik begeleidde haar intensief en daarbij was ik altijd supereerlijk. Begin dit jaar wilde ze iets bespreken, maar ze wist niet goed hoe. Ze bleek weer zwanger. Ik vroeg of ze blij was en of ik haar mocht feliciteren. Dat was niet zo. Ze wilde een abortus. In principe ben ik tegen abortus, maar vaak zie ik dat er meer problemen komen als de zwangerschap doorgezet wordt. Dus ik steunde haar. Later zei ze: “U werd niet boos en gaf geen oordeel, dat vond ik fijn.”

Kimberly en haar vriend woonden toen samen met haar ene dochtertje. Regelmatig kwam de politie aan de deur vanwege geluidsoverlast of ruzies. Er lagen twee meldingen bij Veilig Thuis omdat haar dochtertje getuige was van het geweld. Toen de situatie precair werd, regelde ik via een fonds een ticket en een paspoort zodat de kleine naar Kimberly’s moeder in Curaçao kon. We waren net op tijd op Schiphol, want ze moest die ochtend nog het paspoort ophalen. Dat had ze niet tijdig geregeld. En ze moest ook nog even nepwimpers kopen.

Aanvankelijk kwam er rust, maar haar vriend bleef komen en ging steeds meer drinken waardoor er weer veel ruzie was. Uiteindelijk zette de woningstichting haar uit huis en moesten we weer alles opslaan. Soms moet je buiten de lijntjes kleuren. Dat heb ik gedaan bij Kimberly. Inmiddels is de kleine weer in Nederland. Kimberly’s moeder blijft hier wonen zodat ze beter voor haar dochter en kleindochter kan zorgen. Dat geeft veiligheid.

Pas geleden is Kimberly achttien jaar geworden en ze vroeg of ik haar nog wilde blijven begeleiden. Mijn manager is akkoord gegaan, want als we haar nu loslaten, gaat het zeker fout. Daar is ze dolblij mee. Ik heb gezegd dat ik blijf, maar dat ik niet meer alle shit ga oplossen.”

In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. De kracht van het alledaagse publiceert elk verhaal afzonderlijk. Het boek staat ook online. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl. Gezien de beperkte oplage kunt u slechts één boek bestellen en op is op! Boek ‘Jeugdprofessionals over die ene jongere’

Kleine pittig mannetje

Kleine man, kom maar

Natasja de Vries was groepsleider op een afdeling voor jonge kinderen bij Jeugdhulp Friesland. Lucien kwam daar toen hij zes jaar oud was en bleef er ruim twee jaar.

“Lucien kwam binnen met een tas vol medicijnen voor zijn gedrag. Een tenger ventje van zes, wat gelaten. Ik zag een lief muisje. Aan zijn ogen kon je zien dat hij al veel had meegemaakt. Hij had een moeilijke start gehad bij zijn moeder en was in een pleeggezin geplaatst. Daar was het mis gegaan. Hij werd gebracht door twee enorm verdrietige pleegouders. Lucien ontwrichtte het pleeggezin. Ze konden het niet meer aan.

Ik was groepsleider op de crisisafdeling, waar kinderen langer konden blijven als dat nodig was. Lucien ging vrij snel mee in de structuur. Hij ging naar school, draaide muziek op zijn kamer en zat soms bij mij op schoot tv te kijken. Zo kregen we contact. We legden uit dat hij hier lang kwam logeren en vertelden waarom hij hier was. Dat wist hij wel. Hij praatte met een hoog stemmetje: “Ja, want het ging niet goed. Ik was heel vaak boos. Dan ging ik dingen doen die niet mochten.”

Lucien begon te wennen en zijn problemen kwamen aan de oppervlakte. Er kwam een kind tevoorschijn met trauma’s en angsten. Als hij iets moest wat hij niet wilde of waarvan hij dacht dat hij het niet kon, raakte hij ontregeld. Dan liet hij primair gedrag zien en ging gillen, huilen of schreeuwen. Hij kon de groep verlaten en in zijn nakie terugkomen, helemaal in paniek omdat hij zichzelf niet meer onder controle had. Hij maakte spullen kapot of ging dwangmatig repeterend schelden: “Stommerd, stommerd, stommerd”. Net zolang totdat hij moe werd of we hem afleidden.

Hij werd mijn mentorkind. Kleine man, kom maar, dat gevoel riep hij bij me op. Ik ging voor hem door het vuur. Samen gingen we op zoektocht. De psychiater gaf medicatie waardoor zijn concentratie verbeterde. De therapeut deed veel rondom hechting en trauma. De gezinsvoogd zorgde voor een veilige omgangsregeling. Daar had hij allemaal baat bij.
Ik ging harder strijden toen ik erachter kwam dat zijn school geen rekening hield met de oorzaak van zijn gedrag. Hij haalde er vaak kattenkwaad uit. Op een gegeven moment moest hij in een apart hokje zitten en kreeg hij een eigen lesprogramma om te kijken wat hij aankon. Als hij tien kruisjes had gehaald, mocht hij terug naar de klas. Dat lukte natuurlijk niet. Als je een boek op zijn tafel legde, wilde hij de Donald Duck lezen en dan was er strijd. Op de groep hadden we een manier gevonden daarmee om te gaan. Ok, lees jij de Donald Duck maar, dan lezen we daarna ook mijn boekje. School wilde daar niet in mee. Hij werd geschorst toen hij het brandalarm ingedrukt had en de hele school moest worden ontruimd.

Hij had ook een andere kant. Iedere week werd hij door Jan, onze facilitair medewerker naar therapie gebracht met de auto. Toen Jan jarig was kocht Lucien van zijn zakgeld een pannetje, want Jan kookte soms voor ons. Ook kocht Lucien een blauwe parkeerschijf want: “Als Jan me wegbrengt moet hij parkeren en denkt hij altijd dat de parkeerwachter hem een bon geeft. Dan wordt hij een paniekpiet.”

Door die puurheid wilde ik dat hij op een goede plek terecht zou komen, een plek waarbij ik het vertrouwen had dat ze hem echt gingen zien. We brachten zijn steunfiguren in kaart: zijn therapeut, zijn pleegmoeder, zijn moeder en ik. Vier vrouwen had hij om zich heen. Samen hebben we gekeken wat hij nodig zou hebben om in een gezinsachtige setting te kunnen leven. Uiteindelijk hebben we die goeie plek gevonden. Een gezinshuis, een mooie grote boerderij en bij ontzettend lieve mensen met veel ervaring in dit werk.

Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten

Ook in dit gezinshuis kreeg hij een terugslag. De psychiater stelde zijn medicatie daarna beter in. De gezinsmoeder investeerde enorm in de hechting en nu gaat het goed. Met de gezinsmoeder heb ik nog contact. Hij woont er ruim drie jaar nu. Het is een pittig mannetje. Hij zit in je hart, dat maakt dat je doorzet. Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten.

Ik doe ruim twaalf jaar groepswerk. Met een deel van de kinderen gaat het goed. Maar ik zie ook ieder jaar kinderen terugkomen, de zogenoemde draaideurkinderen. Soms zien we ze in de pubertijd weer op de crisisafdeling. Lucien kwam heel jong binnen en had bovengemiddelde heftige problemen. Maar ook met een onveilige hechting ben je niet verloren. Daarin geloof ik en vanuit die overtuiging wil ik blijven werken.”

Het verhaal van Natasja en Lucien komt uit de serie ‘Die ene jongere’, waarin jeugdzorgprofessionals vertellen over die jongere die ze nooit vergeten zijn. In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl.