Kleine pittig mannetje

Kleine man, kom maar

Natasja de Vries was groepsleider op een afdeling voor jonge kinderen bij Jeugdhulp Friesland. Lucien kwam daar toen hij zes jaar oud was en bleef er ruim twee jaar.

“Lucien kwam binnen met een tas vol medicijnen voor zijn gedrag. Een tenger ventje van zes, wat gelaten. Ik zag een lief muisje. Aan zijn ogen kon je zien dat hij al veel had meegemaakt. Hij had een moeilijke start gehad bij zijn moeder en was in een pleeggezin geplaatst. Daar was het mis gegaan. Hij werd gebracht door twee enorm verdrietige pleegouders. Lucien ontwrichtte het pleeggezin. Ze konden het niet meer aan.

Ik was groepsleider op de crisisafdeling, waar kinderen langer konden blijven als dat nodig was. Lucien ging vrij snel mee in de structuur. Hij ging naar school, draaide muziek op zijn kamer en zat soms bij mij op schoot tv te kijken. Zo kregen we contact. We legden uit dat hij hier lang kwam logeren en vertelden waarom hij hier was. Dat wist hij wel. Hij praatte met een hoog stemmetje: “Ja, want het ging niet goed. Ik was heel vaak boos. Dan ging ik dingen doen die niet mochten.”

Lucien begon te wennen en zijn problemen kwamen aan de oppervlakte. Er kwam een kind tevoorschijn met trauma’s en angsten. Als hij iets moest wat hij niet wilde of waarvan hij dacht dat hij het niet kon, raakte hij ontregeld. Dan liet hij primair gedrag zien en ging gillen, huilen of schreeuwen. Hij kon de groep verlaten en in zijn nakie terugkomen, helemaal in paniek omdat hij zichzelf niet meer onder controle had. Hij maakte spullen kapot of ging dwangmatig repeterend schelden: “Stommerd, stommerd, stommerd”. Net zolang totdat hij moe werd of we hem afleidden.

Hij werd mijn mentorkind. Kleine man, kom maar, dat gevoel riep hij bij me op. Ik ging voor hem door het vuur. Samen gingen we op zoektocht. De psychiater gaf medicatie waardoor zijn concentratie verbeterde. De therapeut deed veel rondom hechting en trauma. De gezinsvoogd zorgde voor een veilige omgangsregeling. Daar had hij allemaal baat bij.
Ik ging harder strijden toen ik erachter kwam dat zijn school geen rekening hield met de oorzaak van zijn gedrag. Hij haalde er vaak kattenkwaad uit. Op een gegeven moment moest hij in een apart hokje zitten en kreeg hij een eigen lesprogramma om te kijken wat hij aankon. Als hij tien kruisjes had gehaald, mocht hij terug naar de klas. Dat lukte natuurlijk niet. Als je een boek op zijn tafel legde, wilde hij de Donald Duck lezen en dan was er strijd. Op de groep hadden we een manier gevonden daarmee om te gaan. Ok, lees jij de Donald Duck maar, dan lezen we daarna ook mijn boekje. School wilde daar niet in mee. Hij werd geschorst toen hij het brandalarm ingedrukt had en de hele school moest worden ontruimd.

Hij had ook een andere kant. Iedere week werd hij door Jan, onze facilitair medewerker naar therapie gebracht met de auto. Toen Jan jarig was kocht Lucien van zijn zakgeld een pannetje, want Jan kookte soms voor ons. Ook kocht Lucien een blauwe parkeerschijf want: “Als Jan me wegbrengt moet hij parkeren en denkt hij altijd dat de parkeerwachter hem een bon geeft. Dan wordt hij een paniekpiet.”

Door die puurheid wilde ik dat hij op een goede plek terecht zou komen, een plek waarbij ik het vertrouwen had dat ze hem echt gingen zien. We brachten zijn steunfiguren in kaart: zijn therapeut, zijn pleegmoeder, zijn moeder en ik. Vier vrouwen had hij om zich heen. Samen hebben we gekeken wat hij nodig zou hebben om in een gezinsachtige setting te kunnen leven. Uiteindelijk hebben we die goeie plek gevonden. Een gezinshuis, een mooie grote boerderij en bij ontzettend lieve mensen met veel ervaring in dit werk.

Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten

Ook in dit gezinshuis kreeg hij een terugslag. De psychiater stelde zijn medicatie daarna beter in. De gezinsmoeder investeerde enorm in de hechting en nu gaat het goed. Met de gezinsmoeder heb ik nog contact. Hij woont er ruim drie jaar nu. Het is een pittig mannetje. Hij zit in je hart, dat maakt dat je doorzet. Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten.

Ik doe ruim twaalf jaar groepswerk. Met een deel van de kinderen gaat het goed. Maar ik zie ook ieder jaar kinderen terugkomen, de zogenoemde draaideurkinderen. Soms zien we ze in de pubertijd weer op de crisisafdeling. Lucien kwam heel jong binnen en had bovengemiddelde heftige problemen. Maar ook met een onveilige hechting ben je niet verloren. Daarin geloof ik en vanuit die overtuiging wil ik blijven werken.”

Het verhaal van Natasja en Lucien komt uit de serie ‘Die ene jongere’, waarin jeugdzorgprofessionals vertellen over die jongere die ze nooit vergeten zijn. In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl.

Meer mogelijk met minder

onmogelijk.png

  • Meer mogelijk met minder dan € 80.000 per jaar

Naar schatting gaat tachtig procent van de vragen aan wijkteams over financiële problemen. Schulden vormen een dominante problematiek en belemmeren inwoners om mee te doen.

De sociaal werker komt langs bij een gezin, omdat moeder voor één van de kinderen een plek bij een gespecialiseerd activiteitencentrum op dertig kilometer van de woonplaats wil. De zorgorganisatie die het kind eerder behandelde heeft haar dat aangeraden. Tijdens het tweede gesprek blijkt dat het huishouden tevens kampt met oplopende schulden en de dreiging dat de huishoudelijk hulp die ze krijgen (i.v.m. een aandoening van moeder) wordt ingetrokken. In het gesprek lopen de emoties hoog op en blijkt onder de enkelvoudige zorgvraag een kluwen aan problemen te schuilen.

Een nadere analyse leert dat de overheid de afgelopen jaren structureel aan dit gezin circa € 80.000 per jaar uit heeft gegeven. Het gaat daarbij om verschillende zorgarrangementen voor de drie kinderen, schuldhulpverlening, uitkeringen, allerlei hulpmiddelen en woningaanpassingen, huishoudelijke ondersteuning en bijzondere bijstand. Er zijn in de afgelopen jaren vijf verschillende opvoedondersteunings-programma’s na elkaar ingezet, schijnbaar zonder overtuigend resultaat.

De sociaal werker zit met de handen in het haar: enerzijds wil het maar niet lukken om alle verschillende aandachtsgebieden goed in kaart te brengen. Steeds lijken er weer nieuwe ‘feiten’ op te duiken en moeten er oplaaiende veenbrandjes geblust worden: een week later dreigt de deurwaarder langs te komen en weer een week later belt moeder in paniek dat vader zijn spullen heeft gepakt. Anderzijds heeft de sociaal werker moeite om bij de instanties een voet tussen de deur te krijgen. Zo is de gemeentelijke kredietbank niet bereid mee te werken aan de voorgestelde schuldhulpbegeleiding, omdat het gezin al eerder een dergelijk traject heeft doorlopen. En zonder hard bewijs weigert de deurwaarder de beslagvrije voet aan te passen. Ook belt de zorgorganisatie die het activiteitencentrum heeft aanbevolen, maar die belt niet terug. Van hen wil de sociaal werker weten waarom deze aanbeveling is gedaan, zonder overleg met de sociaal werker. Nu loopt deze immers achter de feiten aan en is het gesprek over de meest passende oplossing mosterd na de maaltijd.

De alternatieve oplossing is dat de sociaal werker mandaat heeft om andere instanties mee te laten werken. Door bijvoorbeeld de schulden tijdelijk ‘te bevriezen’: de stress van de financiële problemen neemt dan af, zodat in rust gebouwd kan worden aan een adequate oplossing.

  • Bron: “Doen wat nodig is | Experimenten die maatwerk mogelijk maken” | Inclusieve Stad – City Deal Een samenwerking tussen de gemeenten Eindhoven, Enschede, Leeuwarden, Utrecht, Zaanstad en het Rijk in het kader van Agenda Stad.

Beter voor minder

adolescents.png

  • Betere oplossing voor € 3.300 per maand minder kosten

Dit is een voorbeeld dat – met een beetje zoeken samen met een collega die verstand heeft van de regelingen – wel degelijk een passende oplossing mogelijk is, waar die eerst (‘er kan geen uitkering worden verstrekt’) lijkt afgesloten.

Een gescheiden moeder heeft twee zonen van 17 en 15 jaar oud. De beide zonen groeien op in een zeer onveilig pedagogisch klimaat. Er is over en weer sprake van psychische mishandeling. Moeder geeft de jongens (te) veel vrijheid, maar eist tegelijkertijd veel aandacht op. De oudste zoon volgt op dit moment een opleiding ‘administratief medewerker’ op het ROC. Als hij het niet redt, komt hij thuis te zitten waardoor de situatie dreigender wordt met vermoedelijk uithuisplaatsing (begeleid wonen) tot gevolg. Hoewel nog niet aan de orde, is de verwachte situatie onwenselijk en betreft het een dure oplossing (ca. € 4.600 per maand) met weinig perspectief. Een uitkering is onmogelijk, omdat de zoon nog geen achttien is.

Om de situatie te doorbreken is er een aantrekkelijker en goedkoper alternatief mogelijk. De oudste zoon kan met behulp van studiefinanciering op zichzelf gaan wonen. Een op het eerste gezicht simpel alternatief, maar zeer kwetsbaar. Hij is er eigenlijk nog niet aan toe. Ook de nodige aanloopkosten kan de zoon niet zelf betalen. Het andere broertje kan weer bij zijn vader gaan wonen. Vader hanteert een strenge opvoeding waar de jongen zelf wel weer aan toe blijkt te zijn.

Voorstel is om voor de oudste zoon DUO aan te vragen in combinatie met het verstrekken van leenbijstand voor de kosten voor het op zichzelf gaan wonen (borg huur, meubilair et cetera). Deze leenbijstand wordt na anderhalf jaar kwijtgescholden als hij het goed doet op school, een bijbaantje heeft en zijn financiën op orde heeft. Gezien de kwetsbare situatie zal er de eerste tijd sprake zijn van een aantal uren professionele ondersteuning. Kosten: eenmalig  € 2.000 leenbijstand (schatting) en daarna € 1.000 per maand DUO en € 300 per maand voor ambulante begeleiding. Al met al een besparing van ca. € 3.300 per maand, voor een betere oplossing!

  • Bron: “Doen wat nodig is | Experimenten die maatwerk mogelijk maken” | Inclusieve Stad – City Deal Een samenwerking tussen de gemeenten Eindhoven, Enschede, Leeuwarden, Utrecht, Zaanstad en het Rijk in het kader van Agenda Stad.

De balans tussen wat wel en wat niet kan

borstkanker

  • ‘Als je haartjes weer groeien, lijkt het goed te gaan’

Anjo Bloemen kampt na een intensieve behandeling van borstkanker (chemokuren, een amputatie, bestralingen en immuuntherapie) met late gevolgen, zoals vermoeidheids-klachten en een verminderde armfunctie. In haar hoofd gaat alles ‘in slow motion’ waardoor ze minder snel kan schakelen. ‘Vooral tijdens mijn herstelproces voelde ik mij eenzaam.’

‘Mijn leven is niet meer zoals het was. We wandelden in het weekend flinke afstanden. Dat kan niet meer. Ik moet mijn activiteiten doseren en niet al mijn reserves verbruiken. Soms ga ik bewust een stap verder dan eigenlijk kan. Dat kost me soms een week om weer op te laden.’

Iedereen is druk

‘Vooral tijdens mijn herstelproces voelde ik mij eenzaam. Als je haartjes weer gaan groeien, denkt je omgeving dat je je normale leven weer kunt oppakken. Juist toen zat ik midden in de puinhoop van mijn lijf. Ik moest leren dealen met mijn nieuwe ik en alles weer opbouwen. Mijn leidinggevende liet bijvoorbeeld weinig van zich horen. Hij belde een keer over het regelen van vervanging en een keer omdat hij iets niet kon vinden. Later bleek dat hij tegen collega’s had gezegd dat ze mij even met rust moesten laten. Ondertussen dacht ik dat ze mij niet meer ‘moesten’. Hij deed dit met de beste bedoelingen, maar het was beter geweest als hij had overlegd wat ik prettig had gevonden.

Ziek-zijn heeft voor je werk en omgeving een beperkte houdbaarheidstermijn. Iedereen heeft het druk. Een operatie, chemokuren en bestralingen zijn tastbaar. Veel mensen weten niet, dat daarna een moeilijk herstelproces begint, tenzij ze het zelf hebben meegemaakt. In mijn vriendenkring ben ik ook mensen kwijtgeraakt. Een vriendin vond dat ik te lang bezig was met mijn herstel. Dat heeft mij zo gekwetst dat ik afscheid van haar heb genomen. Een geluk bij een ongeluk was dat twee vriendinnen hetzelfde traject meemaakten. Daardoor begrijp je elkaar en hoef je elkaar niets uit te leggen. We konden er grappen over maken en het relativeren. De ondersteuning van mensen op de naturistencamping, waar we toen een vaste plaats hadden, was ook super. Ik kreeg een warm applaus toen ik me daar voor het eerst na de operatie durfde vertonen.’

Kwetsbaar

‘Je over en weer kwetsbaar opstellen, helpt eenzaamheid te overbruggen. Als je niet weet wat je voor een ander kunt doen, zeg dat dan. Het belangrijkste is dat we niet moeten denken voor die ander, maar vragen wat hij of zij wil. Zelf heb ik geleerd om te voelen wat ik nodig heb en daarover te praten. Doordat mijn energie enigszins beperkt is, maak ik andere keuzes, ook in contacten. Ik kijk wat goed voelt en wat ik aankan en laat mij daardoor leiden. Het is een heel proces geweest om te accepteren dat ik niet meer de oude word en te leren houden van de nieuwe leuke ik, die Ik nu ben. Ik heb mijn doelen leren bijstellen en mijn balans gevonden in wat ik wel en niet kan.’

  • Bron: Chronische ziekte en  eenzaamheid Verhalen uit de praktijk – Patiëntenfederatie Nederland.

Mijn hondje houdt de moed erin

hondje

  • ‘Als ik zeg dat het niet goed gaat, stokt het gesprek’

Corrie kreeg op haar 45e tijdens een vakantie in Griekenland de ziekte van Lyme. Daar kwamen later andere chronische ziekten bij, zoals reuma, diabetes en apneu. ‘Het gevolg is dat ik in een rolstoel zit en me continu moe voel. Twee keer per dag helpt de thuiszorg mij in en uit bed. Het wordt bijna onmogelijk om ergens naartoe te gaan. Daardoor voel ik me alleen.’

‘Ik was altijd heel actief; ik werkte tot mijn 55e, zorgde voor mijn ouders, was vrijwilliger in het verzorgingshuis en zette mij in voor de dierenbescherming. Vroeger zocht ik zelf de contacten op en organiseerde ik gezellige dingen.’

In de steek gelaten

 ‘Dat is langzaam maar zeker steeds minder geworden. Tot mijn 65e heb ik een goed leven gehad. Toen is mijn man, na een huwelijk van bijna 45 jaar, bij mij weggegaan. Daarover ben ik heel verdrietig en boos geweest. Nu kan ik mij ook wel voorstellen dat het moeilijk is om met iemand te leven die steeds minder kan, maar toch voel ik me door hem in de steek gelaten. Mijn zoon woont hier drie uur reizen vandaan. Hij vraagt weleens of ik niet bij hem in de buurt wil komen wonen, maar ik weet niet of dat verstandig is.’

‘Inmiddels zie ik ook slecht, waardoor het gevaarlijk is om alleen met de scootmobiel op pad te gaan. Dat maakt dat ik minder contacten heb. Contact moet toch van twee kanten komen en van mijn kant kost dat te veel energie. En doordat ik mij vaak moedeloos voel, ben ik niet altijd even aardig. Als ik zelfstandig ergens naartoe wil, is dat veel geregel met taxi’s die ik een avond van tevoren moet bellen en die dan een kwartier eerder of later komen. Het gevolg is dat ik ergens te vroeg of te laat arriveer en verloren in mijn rolstoel zit te wachten. Eigenlijk ga ik steeds minder vaak de deur uit.’

Tranen

‘Als ik naar een gezellig televisieprogramma kijk, voel ik me soms opeens eenzaam en springen de tranen in mijn ogen. Met Sinterklaas kreeg ik een cadeau met een gedicht. Dan raak ik geëmotioneerd, omdat ik die gezelligheid zo mis. Soms denk ik: waarom ik? Maar je kunt ook denken: waarom ik niet? Op advies van zorgverleners ben ik een aantal keer naar de dagopvang gegaan, waar mensen er nog erger aan toe zijn dan ik. Ik zou het fijn vinden als ik hen kon helpen, maar nu voel ik mij daar absoluut niet thuis.

Contact met andere mensen maakt mijn gevoel van eenzaamheid soms nog groter. Er komen weleens mensen op bezoek, die eigenlijk niet goed weten wat ze moeten zeggen. Als ik zeg dat het niet goed met mij gaat, stokt het gesprek. Mensen willen niet naar gezeur luisteren, dat snap ik. Dan praten ze over iemand die ze buiten langs zien lopen of over het weer. Sinds kort heb ik een klein hondje. Twee kinderen laten hem tegen betaling uit. Vroeger had ik ook een papegaai en een prachtig aquarium. Ik ben gek op dieren; mijn hondje houdt de moed erin.’

  • Bron: Bron: Chronische ziekte en  eenzaamheid Verhalen uit de praktijk – Patiëntenfederatie Nederland.

Vriendelijkheid en een glimlach

thin fiber

‘Ik besta, dus ik doe ertoe’

Jos heeft chronische sarcoïdose, dunnevezelneuropathie en ADHD. De lichamelijke klachten begonnen op zijn 35e, maar het duurde lang voordat de diagnose werd gesteld. Als kind maakte hij ingrijpende dingen mee, zoals een onbesproken ziekte van zijn moeder, uit elkaar vallen van het gezin en een ernstig ongeluk. ‘In groepen voelde ik mij vaak buitengesloten; dat is eigenlijk zo gebleven. Doordat ik ziek werd, kon ik niet meer om mijn jeugdervaringen en gevoel van eenzaamheid heen.’

‘Als professioneel sporter en trainer had ik een afwisselend leven. Op mijn 35e viel ik zomaar dertien kilo af en bleef er weinig spiermassa over. Vijf jaar later bleek dat ik sarcoïdose had, waarbij het afweersysteem van slag raakt en er op verschillende plekken in het lichaam ontstekingen ontstaan. De vermoeidheid die daarbij hoort, is heel lastig. De neuropathie, gevoelloosheid in mijn handen en voeten, hangt er mogelijk ook mee samen. Voor mij betekent dat goed doseren van alle dagelijkse handelingen en alles met aandacht doen.’

Op is op

‘Mijn aandoening betekent dat ik tien eetlepels energie per dag heb. Als die op zijn, is het echt op. Een lastige opgave voor iemand met ADHD. Doordat mijn energie beperkt is, wordt het aantal mensen waarmee ik om kan gaan kleiner. Werken lukt al langere tijd niet meer. Als we naar vrienden gaan, rust ik van tevoren uit en ben ik bij thuiskomst helemaal op. Mensen zien aan de buitenkant mijn beperkingen niet; ze zien mijn opgepoetste variant. Reacties van onbegrip, ook van zorgverleners, triggeren mijn gevoel van eenzaamheid. De eerste neuroloog kon niet vinden wat er met mij aan de hand was en vond dat ik maar even met de psychiater moest praten. Hij had ook kunnen zeggen dat hij het niet wist en vragen wat ik wilde. Mijn huisarts vroeg steeds hoe het met mij ging en waar ik aan toe was. In overleg met hem kwam ik in een therapiegroep voor mensen met onverklaarbare chronische klachten. Daar leerde ik om ‘mijn lijf’ te ervaren en kwetsbaar te zijn. Dat werd een jarenlange weg. Ik denk dat ieder mens eenzaam is; je komt alleen en gaat alleen. Als je gezond bent, laveer je daar omheen. Je werkt, ontmoet automatisch anderen en betekent wat voor je werk of de maatschappij. Als je chronisch ziek wordt, kun je niet meer om je eenzaamheid heen. Ik kom alles wat niet leuk is aan mezelf en uit mijn verleden tegen. In de eerste fase van mijn ziekte waren onze kinderen nog jong. Ik moest er voor hen zijn, die dagelijkse routine hielp mij.’

Gevoelens van eenzaamheid erkennen

‘Stukje bij beetje leer ik omgaan met mijn eenzaamheid. Soms was het zo moeilijk dat ik uit mijzelf trad en van veraf naar mezelf keek. Nu probeer ik in het hier en nu te blijven. Door mijn gevoel van eenzaamheid te herkennen en compassie te hebben met mijzelf, wordt dat gevoel zachter. Als ik met mijn hond wandel, zeg ik regelmatig: ‘moge ik erkennen dat het is zoals het is’. Dat helpt om mijn gevoelens echt te erkennen en voorkomt dat ik weer in een depressie kom. Het helpt ook om zachter te zijn naar anderen. Vriendelijkheid, een glimlach, geeft mij en mensen die ik tijdens mijn wandeling tegenkom energie, zonder dat het energie kost. Die dagelijkse ontmoetingen helpen mij zin te geven aan mijn leven. En wat ik al van jongs af aan tegen mij zelf zeg is: ‘Ik besta, dus ik doe ertoe’.’

  • Bron: Chronische ziekte en  eenzaamheid Verhalen uit de praktijk – Patiëntenfederatie Nederland.

Een tuinlamp aan het einde van de tunnel

tuinlamp

  • Loslaten om vast te pakken

Het mooiste is dat ik haar vertrouwen heb gewonnen. Ik bleef lange tijd naast haar staan, dus ik werd een vaste waarde in haar leven. Geen wisselende hulpverleners, maar één contactpersoon waarmee zij een band kon opbouwen en ik met haar.

De opdracht kwam vanuit een GGZ-instelling. Om een jonge vrouw uit Afrika, een slachtoffer van mensenhandel, te begeleiden en te helpen integreren in de Nederlandse samenleving. Ze had echt op jonge leeftijd al te veel zwaar verkeerde dingen meegemaakt/ Ze was als slavin iemand bezit geweest, van al haar mensenrechten beroofd. Daarbij ook mishandeld. Ze was zo ver heen, dat ze niet meer wist wat of wie te vertrouwen. Ze kampte ook met heftige angstaanvallen, psychoses zelfs, ten gevolge van een posttraumatisch stresssyndroom. Die angsten blokkeerden haar om nog de deur uit te gaan. Als ze dat wel deed, bleek ze ten gevolge van haar ervaringen zodanig kwetsbaar, dat ze daardoor even makkelijk omging met weer precies het verkeerde soort mensen.

Toen ik aan haar werd gekoppeld was ze twee jaar in Nederland en sprak eigenlijk alleen Engels. Ze had een huisje toegewezen gekregen en volgde een inburgeringscursus, maar deed simpelweg de deur niet open als ik bij haar aanbelde. Zo kon ik de eerste paar keer onverrichter zake weer naar huis.

Daarna ben ik samen met een medewerker van de GGZ-instelling langs gegaan die over een sleutel beschikte en die heeft de voordeur voor mij opengedaan. Een week later bezocht ik haar, onaangekondigd. Hoe tegenstrijdig ook, als ik haar vertrouwen wilde winnen moest ik wel minstens een vorm van contact eenzijdig afdwingen.

Het toegewezen huis had een compleet verwilderde tuin, die er bepaald niet uitnodigend uitzag. Ik stelde haar voor dat ik iemand zou vinden voor haar, om van de tuin iets gezelligs te maken. Ze stemde toe. Ik was ervan doordrongen dat ik, in alles wat ik toezegde, vanaf het begin ook echt woord moest houden om haar vertrouwen te helpen herstellen. De tuin was de eerste kleine barrière die ik zo slechtte. Vervolgens heb ik steeds verbeteringen gesuggereerd en kleine dingen toegezegd en die ook steeds waargemaakt.

Toen kwam ze uit zichzelf met de vraag om een tuinlamp, een licht waardoor het buiten achter het huis niet zo donker bleef. Nadat ik ook die voor haar op afspraak had laten aanleggen leek een sprankje kalmte over haar te komen, dankzij bestendigd vertrouwen – vrij letterlijk – een licht in de duisternis.

Ze bracht het op, voorzichtig naar vertrouwen te zoeken. We kwamen verder. Veel tijd ging op aan lange gesprekken, over har dromen, maar ook over diep gevoelde behoefte aan wraak, te nemen op personen die haar leed hadden berokkend.

Ze leefde ook nog heel geankerd aan haar verleden. Ik deed mijn best om haar meer naar toekomstmogelijkheden te laten kijken. Investeer in je kansen, vergeet het verleden. Stel je, vanuit hier en nu, in op de dag van morgen.

Stap voor stap werden opvallende resultaten geboekt. Zo bouwde ze haar rustgevende medicatie af. Ondertussen bleef ik bij de wacht als het ging om welke mensen ze omging. Een deel van har kennissenkring zou de echt moeten loslaten, wilde ze zelfstandig in haar kracht komen te staan. Ik moest haar daarbij schijnbaar steeds opnieuw behoeden, bij herhaling uitleggen hoe zij, als aantrekkelijke mooie jonge vrouw, makkelijk het soort van aandacht krijgt van mensen die niet altijd de beste bedoelingen hebben.

Wat het voor haar moeilijk maakte was dat ze de sociale spelregels tussen mannen en vrouwen niet altijd goed las. Zo was in haar cultuur het spel heel direct. Wanneer een man een vrouw recht aankijkt en openlijk naar haar lacht, is daarmee meteen duidelijk dat hij een zekere vorm van aandacht van je verlangt. In Nederland is het spel niet alleen veel minder direct, maar ingewikkelder, een man kan je hier lachend aankijken zonder dat hij daarmee nou per se bepaalde bijbedoelingen heeft.

Ik liet haar stukje bij beetje allerlei aspecten van de Nederlandse cultuur beleven. Ik nam haar mee naar een mooi restaurant, zo zijn we ook eens naar het Kurhaus in Scheveningen gegaan. Zij vond het schitterend en genoot zichtbaar volop, als een ober haar daarbij beleefd vriendelijk met een open glimlach begroette.

Hoewel zij oorspronkelijk uit een Islamitisch land kwam, wilde ze dat geloof niet meer openlijk belijden en ook geen hoofddoek meer dragen. Ze had het er moeilijk mee om daar tegenover haar zus voor uit te komen. Dat werden heel emotionele discussie. Ik hiel haar daarbij steeds voor: “Houd van jezelf, heb vertrouwen in jezelf. Als jij geen hoofddoek wil, is dat alleen aan jou.” Ik simuleerde haar om steeds in dit soort grote en kleine kwesties zelfstandige, onafhankelijke keuzes te maken. Op het moment dat zij haar hoofddoek afdeed, zag ik dat als een teken dat ze meer afstand kon nemen van haar verleden en zich sterker voelde naar haar toekomst.

Op een geëigend moment heb ik een mannelijke begeleider uit onze organisatie voorgesteld als mede begeleider. Dat was behoorlijk spannend. Al die tijd was er geen enkele man bij haar het huis ingekomen. Onzeker hoe het uit zou pakken heb ik hem dus wat behoedzaam aan haar voorgesteld en met succes. De connectie was en bleef vanaf de eerste ontmoeting goed.

Op de achtergrond bleef ik natuurlijk nauwlettend monitoren. Ik hield met haar regelmatig telefonisch contact. Onder de begeleiding van de mannelijke collega vond ze de motivatie om de Nederlandse taal te leren. Ze ging toekomstgericht doelen stellen, haar rijbewijs halen, studeren. Steeds één stap tegelijk nemend werkten we aan de meest praktisch haalbare doelen. Het belangrijkste was dat zij zelfvertrouwen ontwikkelde. Ik werd getuig van hoe ze van haar nieuwe, hervonden zelf leerde houden.

Ze heeft een enorm groeiproces doorgemaakt: van een gebroken angstig en kwetsbaar wezen naar een zelfbewuste dame met plannen en dromen, die plots in haarzelf durfde te geloven. Dat gin met vallen en opstaan en ook wel met de nodige verwarring gepaard, want wanneer je het verleden los moet laten, om de toekomst aan te gaan, ben je in het hier en nu soms de grond onder je voeten helemaal kwijt. Je moet alles los durven laten om een heel nieuw begin te maken, om een nieuwe identiteit aan te nemen. En dat kan je niet vanuit angst, alleen uit vertrouwen.

In totaal hebben wij haar vier jaar begeleid. Twee manden geleden heeft zij mij gebeld. Ze heeft werk gevonden en was daar dolblij over.

  • Bron: Het nieuwe thuis – verhalen uit de praktijk | TalenTonen Zorg en ontwikkeling

Penvriendinnen

penvriendinnen

  • Ik moest een achterstand inlopen

Carine Berendsen onderging op haar 12e en 23e een niertransplantatie. De eerste keer ging er een periode van bijna twee jaar lang dialyseren aan vooraf. De tweede keer duurde het drie jaar voordat de transplantatie plaats kon vinden, ook al stelde haar vader zijn nier beschikbaar. ‘Vooral tijdens de perioden voor de transplantatie voelde ik mij eenzaam, omdat ik niet kon meedoen.’

‘Van mijn negende tot mijn twaalfde zat ik drie keer per week in het ziekenhuis aan een grote dialysemachine in plaats van op school. Tijdens de pauzes stond ik alleen bij een muurtje vlak bij de ingang. Soms hielden een paar klasgenootjes mij gezelschap. De andere kinderen speelden en renden op het schoolplein. Na schooltijd was ik moe en zat ik thuis op de bank.’

Andere wereld

‘Mijn belevingswereld was een totaal andere dan die van de andere kinderen. Ik miste de aansluiting in een fase waarin veel gebeurt. We woonden vlak bij school. Ik herinner mij nog hoe ik soms vanuit mijn slaapkamer lag te luisteren naar de kinderen op het schoolplein. Dan voelde ik mij heel alleen. Na de eerste transplantatie ging ik naar de mavo. Ik was voor het eerst gezond en kon met de anderen meedoen. Vooral in het begin ervoer ik een verschil; ik had in het ziekenhuis tussen ernstig zieke patiëntjes gelegen, terwijl anderen zich om kleine dingen druk maakten. Ik moest een soort achterstand op het gewone leven inlopen, maar dat lukte steeds beter.’

Onbegrip

‘Op mijn 21e zat ik op een hbo en had ik een bijbaantje als GGZ-verpleegkundige, toen ik hoorde dat ik weer een nieuwe nier nodig had. Na een verkeerd advies van een begeleider stopte ik abrupt met mijn opleiding.’

‘Uiteindelijk kreeg ik de nier van mijn vader pas drie jaar later, omdat mijn nier nog net niet slecht genoeg was. In die periode voelde ik mij opnieuw alleen, ik zat hele dagen thuis te wachten. Om dat te doorbreken, ging ik psychologie studeren. Mij werd geadviseerd om deel te nemen aan de introductieweek. Maar een week bier drinken en door de stad sjouwen mislukte met een nier die maar voor 15% werkte. Ik moest gelijk al uitleggen dat ik nierpatiënt was en niet echt kon meedoen. Bovendien miste ik hierdoor een deel van het eerste semester. Dergelijke ‘studieadviezen’ voelde als onbegrip, omdat mijn studiebegeleiders zich geen voorstelling konden maken van mijn situatie en mij er niet naar vroegen. Ook het ontbreken van een goed transplantatiebeleid ervoer ik als onbegrip voor nierpatiënten.’

Penvriendinnen

‘Ik denk dat sociale media en Skype het gemakkelijker maken om vriendschappen en contacten te hebben als je ziek bent. Je kunt in verschillende kringen andere dingen delen. Ik heb nu een zoontje van een jaar waarover ik blog. Vanaf mijn twaalfde jaar had ik veel penvriendinnen; ik kreeg soms wel dertig brieven op een dag en schreef zelf ook veel. Zo kon ik gewoon als Carine deel uitmaken van een gezonde wereld van mensen die ook fan waren van Bon Jovi.’ 

  • Bron: Chronische ziekte en  eenzaamheid Verhalen uit de praktijk – Patiëntenfederatie Nederland.

Welzijn op recept voor mevrouw van Zoonen

zoonen.png

Mevrouw van Zoonen (93) maakt gebruik van ‘Welzijn op recept’. Ze raakte na het overlijden van haar man in een depressie. Ze was 62 jaar met hem getrouwd en heeft veel verdriet om het verlies. De dokter schreef medicijnen voor tegen de depressie, maar die hielpen haar niet. Via ‘Welzijn op recept’ kwam ze in contact met Lia van den Heuvel, makelaar sociaal domein. Samen bespraken ze wat haar interesses zijn en wat zij nog goed kan. Ze maakten een plan om gevoelens van eenzaamheid te verminderen.

Al 54 jaar woont mevrouw van Zoonen aan een gezellig plein in Odijk. Ze heeft in haar leven veel meegemaakt. Ze groeide op in Nederlands-Indië, overleefde een Jappenkamp en kwam vervolgens naar Nederland. Ze heeft een talenknobbel en studeerde Engels, gaf les en vertaalde brieven voor Amnesty International. Toen haar man voor zijn werk naar Pakistan moest, ging zij met hem mee. Zij woonden acht jaar in Karachi. Korte tijd werkte ze daar bij de ambassade en leerde vloeiend Frans spreken. Ze bezocht regelmatig haar zus in Engeland. Telkens nam ze een teddybeer als aandenken mee terug. Dit groeide uit tot een grote berenverzameling die haar woonkamer siert. ‘Ik praat er niet tegen hoor maar bij elke beer hoort een verhaal’, zegt ze.

In actie tegen depressie Mevrouw van Zoonen heeft goed contact met familie, buren en vrienden. Toch blijft zij zich depressief voelen. ‘Dan heb ik een cryptogram gemaakt en nagekeken en dan zit ik vervolgens alleen op de bank’, vertelt ze. ‘Ik raak dan versuft, dut een beetje en voel me moe en naar.’

Het lukte haar niet goed om zelf het initiatief te nemen om mensen op te zoeken en nieuwe activiteiten te ondernemen. Ze vindt het soms lastig om afspraken te maken. Lia gaf haar handige tips, zoals: maak concrete afspraken. Zeg niet: ‘Zullen we binnenkort koffiedrinken?’ Maar: “Vind je het leuk om donderdag om 10.00 uur bij mij koffie te drinken”. Schrijf afspraken in je agenda. Als je terugbladert denk je terug aan activiteiten die je al hebt gehad. Blader je vooruit dan zie je welke activiteiten er nog komen. Dit kan helpen om sombere gedachten te weerleggen.

Activiteiten om blij van te worden De activiteit ‘bewegen op de stoel’ leek haar leuk en Lia regelde dat zij een les kon meedoen. Dat beviel goed en ze trof bij deze activiteit mensen die ze al kende. Lia legde met haar ook contact met de Zonnebloem. Ze bezocht een gezellige bijeenkomst in het Witte Kerkje. Mevrouw van Zoonen spreekt graag vreemde talen. Vroeger had ze een vriendin met wie ze haar Duits oefende. Met haar Indiase buurvrouw spreekt ze graag Engels en ze wil heel graag ook haar Frans oefenen. Lia vond een match. ‘Morgen komt er een mevrouw bij mij langs die graag met mij in het Frans wil converseren. Ik heb dan een drukke dag, want er komt die dag ook een vriend op de koffie.’

De activiteit “Bewegen op de stoel” leek haar leuk. Lia regelde een proefles. Dat beviel goed en ze trof bij deze activiteit drie mensen die ze al kende. Samen werd ook contact gelegd met de Zonnebloem. Ze bezocht een gezellige bijeenkomst in het Witte Kerkje.

Mevrouw Zoonen spreekt graag vreemde talen. Vroeger had ze een vriendin waarmee ze haar Duits oefende. Met haar Indiase buurvrouw spreekt ze graag Engels en ze wil heel graag ook haar Frans oefenen. Lia vond een match. “Morgen komt er een mevrouw bij mij langs die graag met mij in het Frans wil converseren. Ik heb dan een drukke dag, want er komt die dag ook een vriend op de koffie”.

‘Welzijn op recept’ is een samenwerking tussen huisartsen en het Centrum voor Elkaar van de gemeente Bunnik. Soms komen er mensen bij de huisarts die geen lichamelijke klachten hebben, maar die toch niet lekker in hun vel zitten. De huisarts verwijst hen door naar een welzijnscoach van Centrum voor Elkaar. Via ‘Welzijn op recept’ verhogen zij actief hun gezondheid en welzijn. Een welzijnscoach van het Centrum voor Elkaar verkent de behoeften en bespreekt met de cliënt welke activiteiten het beste passen en het welbevinden verhogen.

 

Opgeruimd

administratie.png

  • Het ideaalplaatje

‘Jemig Henk, wat een mooi opgeruimd huis! Alles schoon, alles precies waar het hoort. Zo netjes is het bij mij thuis niet!’ 

Wil je thee?’, vraagt Henk met een trotse blik in zijn ogen. ‘Het is koud buiten’, antwoord ik. Henk loopt naar de keuken en zet de ketel op.

Leni lacht me toe vanaf de bank en steekt haar duim omhoog. Zij heeft dit voor mekaar gekregen, mét Henk. Leni werkt bij het centrum voor autisme als vrijwilliger. Twaalf maanden geleden ben ik daar in een staat van pure wanhoop na het zoveelste debacle bij Henk thuis, naar binnen gelopen. Leni stond in de hal en keek me vrolijk aan.

‘Jij hebt hulp nodig’, waren haar legendarische woorden. Het bleek een gouden ontmoeting. Leni is met pensioen en heeft een leven lang ervaring met het werken met mensen met autisme. Uiteraard ging ze met me mee naar Henk. Ze gebruikte weinig woorden en tekende vooral. Henk gaf betekenis aan de tekeningen. Na twee gesprekken had ze de woonkamer van Henk op papier staan, zoals hij het zag. Zo gaven ze een plek aan alles en veranderde een rommelig huis in een geordend plaatje.

‘Ik zag vroeger alleen de pen en niet de stapel papieren eronder. De pen ruimde ik op, de papieren bleven liggen. Nu krijgen ook de papieren een plekje’, legt Henk uit. Leni nummerde elke plek en vanaf die dag ruimt Henk elke dag een vaste plek op. Gewoon het lijstje af. Ik doe niet veel meer: het loopt goed genoeg. Zijn geldzaken doet de bewindvoerder. Wat Henk niet zelf kan is uit handen gegeven en dat brengt rust. Inmiddels helpt hij onze afdeling Data twee dagen in de week met een nieuwe monitor voor het sociaal domein. Helemaal zijn ding.

‘Lekker bakje Henk’, zeg ik bij de deur. ‘Ja, het is koud buiten,’ antwoordt hij. Warm van binnen stap ik op de fiets.

  • Bron: Over sokken, orde en luisteren naar elkaar | 23 korte verhalen uit het sociaal domein in Stichtse Vecht