Jong volwassen

Die ene jongere

Desiree Honkoop is jeugdzorgwerker bij Parlan in Noord-Holland. Natalia was zeventien jaar toen ze vanuit de crisisopvang begeleid kwam wonen op de groep van Desiree.

“Natalia kwam alleen naar het eerste gesprek. Meestal hebben jongeren iemand bij zich, een ouder of een andere hulpverlener bijvoorbeeld. Natalia niet. Ik vond het nogal wat. Daar heb je lef en moed voor nodig. Natalia was zeventien jaar en ze zag er verzorgd uit. Ze had een maand op de crisisopvang gezeten en wilde bij ons in het begeleid-wonen-traject. Ze kwam wat gereserveerd over. Ze gaf antwoord op vragen, maar vertelde niet meer dan nodig. Ik zag wel dat ze verdrietig was. Ze kon snel bij ons terecht. Ik werd haar mentor. Tussen Natalia en haar ouders liep het niet goed. De band met haar vader was slecht. Hij begreep haar niet.

Natalia kon depressief zijn. Ook keurde vader haar relatie af omdat haar vriend Marokkaans was, maar Natalia weigerde haar vriendje aan de kant te zetten. Tussen Natalia en haar moeder was het contact beter, maar moeder nam het nooit voor haar op als ze ruzie had met haar vader. In de tijd dat Natalia bij ons woonde, was ze weinig open over haar vriendje en nam ze hem nooit mee naar binnen. Hij kwam haar altijd ophalen en terugbrengen. We waren scherp op loverboy-achtige praktijken, vooral ook omdat Natalia vaak gehaald en gebracht werd terwijl ze een zelfstandige meid was. We waren niet meteen veroordelend, maar hielden onze ogen en oren wel open.

‘WILDE NIEMAND EEN SLIMME MEID HELPEN NAAR VOLWASSENHEID?’

Natalia zat op het vwo en op school ging het goed. Ze had wel gesprekken bij de ggz omdat ze last had van angsten. Toen ze bij ons tot rust gekomen was, werd vanuit de ggz systeemtherapie ingezet met als doel het contact met haar ouders te herstellen. Die gesprekken gingen moeizaam. Vooral de vader bleef erop hameren dat Natalia haar relatie op moest geven. Na verloop van tijd concludeerde de systeemtherapeut dat doorgaan weinig zin meer had.

Toen Natalia achttien werd, moest ze weg bij ons. Ze wilde een eigen plekje en vond het niet verstandig om bij haar vriendje in te trekken. Haar eigen ouders wilden niets bijdragen, wat hen betreft kon hun dochter weer thuis komen wonen. Ze had een bijbaantje, zat in het voorlaatste jaar van het vwo, maar had meer geld nodig om zelfstandig te kunnen wonen. Ook zou ze moeten stoppen met therapie omdat ze de eigen bijdrage niet kon betalen.

We zaten in een patstelling. Om een aanvullende uitkering te krijgen, had ze een kamer nodig. Om een kamer te huren, had ze een uitkering nodig. Het maakte me zo boos. Wilde dan niemand een hardwerkende, slimme meid verder helpen naar volwassenheid? Uiteindelijk kreeg Natalia via een kerkfonds een schenking. Daarmee kon ze een kamer huren en had ze een adres waardoor ze een aanvullende uitkering kon aanvragen. De ggz had ondertussen een potje gevonden zodat haar therapie wel kon doorgaan.

Het jaar erop kreeg ik een appje dat ze was geslaagd. Met een grote bos bloemen ging ik onaangekondigd naar haar diploma-uitreiking. Haar moeder en zus, haar vriendje en diens ouders, allemaal zaten ze trots naast elkaar in een rij. Alleen haar vader ontbrak. Na afloop zag Natalia me en moest ze enorm huilen. Ze kon niet bevatten dat ik de moeite genomen had om naar haar diploma-uitreiking te komen.

Natalia zit inmiddels op de universiteit en is nog steeds samen met haar vriend. Zij heeft het gered, maar veel jongeren staan er alleen voor op hun achttiende. Er wordt veel van ze verwacht. Wanneer je als achttienplusser geen netwerk hebt, moet je ineens overal in je eentje mee dealen, terwijl je dan juist de rust en veiligheid nodig hebt om nog even door te groeien.

Uiteindelijk heeft Parlan haar casus uitgewerkt om gemeenten te overtuigen dat jongeren die achttien jaar worden en uit de jeugdzorg komen nog steun nodig kunnen hebben. Dat heeft enig resultaat gehad. Sommige jongeren krijgen nu ook na hun achttiende enkele maanden leefgeld. Daarnaast is er een uitstroomproject bij enkele gemeenten en woningcorporaties gekomen. 18-plussers krijgen daar een vervolgplek, mits ze ambulant in begeleiding blijven. Daar heeft het verhaal van Natalia echt aan bijgedragen.”

In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. De kracht van het alledaagse publiceert elk verhaal afzonderlijk. Het boek staat ook online. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl. Gezien de beperkte oplage kunt u slechts één boek bestellen en op is op! Boek ‘Jeugdprofessionals over die ene jongere’

De rauwe werkelijkheid

Die ene jongere

lly van der Aalst is ambulant hulpverlener spoedhulp bij de Combinatie Jeugdzorg in Zuidoost- Brabant. Ze werkt bijna veertig jaar in de jeugdzorg. Het verhaal van June is haar het meest bijgebleven.

“De eerste keer dat ik June zag, was ze in shock. Als ambulant hulpverlener spoedhulp bracht ik haar naar een crisispleeggezin omdat er een voorlopige voogdijmaatregel was uitgesproken. Van daaruit zou bekeken worden of June terug kon naar haar moeder. Haar ouders hadden elkaar leren kennen in Afrika. June heeft een Nederlandse vader en een Afrikaanse moeder. Toen ik June zag, waren haar ouders niet meer bij elkaar en was haar vader niet meer in beeld.

De moeder van June was hiv-positief. June was vanaf haar geboorte hiv- besmet. Haar moeder ontkende dat, maar de medisch specialist vond dat June het moest weten. June was toen zestien, de leeftijd waarop je zelf wettelijk over medische zaken mag beslissen. De situatie was urgent want zonder medicatie is hiv levensbedreigend. Omdat haar moeder bleef weigeren, had de specialist Veilig Thuis ingeschakeld. In diverse gesprekken werd geprobeerd de moeder over te halen om met behandeling van haar dochter in te stemmen. Helaas zonder resultaat, waarna de kinderrechter de voorlopige voogdijmaatregel uitsprak.

June wist nog van niks toen ze uit de klas werd gehaald en door twee jeugdbeschermers naar het ziekenhuis werd gebracht. Daar hoorde ze dat ze hiv had en dat haar moeder behandeling weigerde. Dat was een enorme schok voor haar. Ze kreeg te horen dat ze een ernstige chronische ziekte had, werd bij haar moeder weggenomen en vervolgens in een pleeggezin geplaatst. En dat terwijl ze nog nooit een nacht zonder haar moeder had doorgebracht.

‘HET IS GOED DAT ZE HAAR EIGEN PROCES MOCHT DOORMAKEN’

De jeugdbeschermer en ik gingen snel met de moeder praten. We hoopten dat haar houding zou veranderen nu alles open lag. Maar moeder ging schreeuwen en sloeg hard met haar hand op de bijbel. Het was háár kind, zíj besliste erover en haar dochter was níet besmet. Alle hoop vervloog bij mij. Ik zag veel liefde tussen moeder en dochter, maar ook een trotse vrouw die vanuit haar geloofsovertuiging alleen op God vertrouwde. Er was geen ruimte voor het medische verhaal. June wilde niets liever dan naar huis en smeekte haar moeder om de waarheid te accepteren, maar die bleef ontkennen.

Na een aantal maanden ging June weer bij haar moeder wonen. Dit was haar eigen wens en de gezinsvoogd, de kinderrechter en ik stonden hierachter. Het beeld dat June thuis knuffelend tegen haar moeder aanlag en ontspande, zal ik nooit vergeten. Kort daarna kreeg June het advies van de medische specialist om medicijnen te gaan slikken. Ze besloot dit buiten medeweten van haar moeder te doen en om niet de confrontatie aan te gaan. Op een avond belde June mij in totale paniek. Haar moeder had de medicijnen gevonden. Hysterisch was ze June gaan slaan en had ze geprobeerd haar met een elektriciteitskabel te wurgen. Aan de politie vertelde haar moeder dat het een puberruzie was. Pas toen June zachtjes aangaf dat haar moeder haar geslagen had en verbood medicijnen te slikken, beseften de agenten de ernst en namen June mee naar het bureau. Daar trof ik haar huilend en in paniek aan.

Er volgde een zware tijd. Via een pleeggezin ging June richting woonbegeleiding om te leren zelfstandig te wonen. Ze kreeg depressieve klachten. Langzamerhand herstelde ze toch weer het contact met haar moeder. Ze maakte zich zorgen. Moeder werd zieker en June ontdekte dat er psychische problemen speelden. Haar moeder was eenzaam. Ze had een contact via haar kerk, verder was er geen netwerk.

Ondanks alles lukte het June de havo af te ronden. Bij de diploma- uitreiking zag ik haar moeder weer. Ze strompelde en was snel achteruitgegaan. Ze verwaarloosde zichzelf en kreeg waanbeelden. Niet veel later moest de politie haar voordeur forceren en werd moeder naar een ziekenhuis gebracht. Daar knapte ze wat op, maar verdere hulp bleef ze weigeren. Ze werd dakloos, tot ze via de kerk weer een plekje kreeg.

June is nu twintig jaar. Ze woont zelfstandig en volgt een hbo- opleiding. Ze is een lieve, aardige en knappe meid, maar ze is ook beschadigd. Ze heeft nauwelijks een netwerk en heeft weinig mensen met wie ze haar bijzondere geschiedenis kan delen. We lunchen eens in de twee maanden. Ik leer ook dingen van haar. Ik heb bewondering voor haar veerkracht. We hebben een risico genomen door June terug te laten gaan naar haar moeder. Het is precair geworden, wat we niet hadden ingeschat. Als het fout afgelopen was, had iedereen naar jeugdzorg gewezen. Toch sta ik nog steeds achter dit besluit. June heeft zelf de werkelijkheid over haar moeder ontdekt. Het is goed dat ze haar eigen proces mocht doormaken. Daardoor heeft ze het beter kunnen verwerken.”

In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. De kracht van het alledaagse publiceert elk verhaal afzonderlijk. Het boek staat ook online. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl. Gezien de beperkte oplage kunt u slechts één boek bestellen en op is op! Boek ‘Jeugdprofessionals over die ene jongere’

Denk niet zwart – wit

Soms moet je buiten de lijntjes kleuren

Nely Barendregt begeleidt tienermoeders bij Timon in Rotterdam. Kimberly ging deze blanke mevrouw vertrouwen.

“Het was een warme, benauwde dag toen ik Kimberly voor het eerst zag. In juli 2018 kwam ze met haar dochtertje wonen op een van de locaties van Timon in Rotterdam waar wij tienermoeders begeleiden. Kimberly was net zeventien, haar dochtertje twee. Al haar spullen stonden in de kamer. Het was veel te veel. Kimberly had totaal geen overzicht en had een afkeer van hulpverleners. Later legde ze uit waar die afkeer vandaan kwam: “Blanke mensen vinden ons niet goed en willen onze kinderen afpakken.” Ze voelde zich minder omdat ze donker was.

Kimberly had een turbulent leven achter zich. Haar moeder was in Rotterdam opgegroeid, maar leefde sinds 2016 op Curaçao. Kimberley had in de gesloten jeugdzorg gezeten en was in die tijd zwanger geraakt. Ze was op Curaçao bevallen, maar was teruggekomen naar Nederland om hier haar leven op te bouwen. Ze had rondgezworven en was bij een zorginstelling beland totdat er bij ons een plek kwam. Timon helpt tienermoeders met huisvesting en het moederschap. We begeleiden bij financiën, indicaties en onderwijs en we ondersteunen bij de opvoeding.

Tot 2013 werkte ik in het bedrijfsleven. Ik wist wel veel van de zorg omdat ik ruim dertig jaar mentor en bewindvoerder was van twee zussen. In 2018 kwam ik bij Timon. Kimberly was een van mijn eerste cliënten. Ze zette die dag haar spullen in haar woning bij Timon en daarna ging ze met haar dochtertje naar haar zus in Brabant. Wekenlang liet ze niets van zich horen, maar ik ben een terriër. Met alleen een straatnaam en de achternaam van haar zwager zocht ik haar op. Ik liep alle naambordjes langs en zo vond ik Kimberly en haar dochtertje terug.

‘SOMS MOET JE BUITEN DE LIJNTJES KLEUREN’

Kimberly vertelde dat ze niet in de toegewezen woning in Rotterdam kon blijven omdat zij en haar vriend eerder lastig gevallen waren in deze buurt. Ik betwijfelde of het waar was, maar al snel werd besloten dat ze elders een appartementje zou krijgen. Haar spulletjes moesten tijdelijk worden opgeslagen totdat die plek vrijkwam. Uit haar netwerk wilde niemand haar meer helpen verhuizen. Ik regelde een aanhanger, huurde een opslagruimte en met een paar man uit de nachtopvang verhuisden we de boel. Kimberly vond het heel speciaal dat ik dit voor haar deed. Sinds die dag vertrouwde ze me.

Ik begeleidde haar intensief en daarbij was ik altijd supereerlijk. Begin dit jaar wilde ze iets bespreken, maar ze wist niet goed hoe. Ze bleek weer zwanger. Ik vroeg of ze blij was en of ik haar mocht feliciteren. Dat was niet zo. Ze wilde een abortus. In principe ben ik tegen abortus, maar vaak zie ik dat er meer problemen komen als de zwangerschap doorgezet wordt. Dus ik steunde haar. Later zei ze: “U werd niet boos en gaf geen oordeel, dat vond ik fijn.”

Kimberly en haar vriend woonden toen samen met haar ene dochtertje. Regelmatig kwam de politie aan de deur vanwege geluidsoverlast of ruzies. Er lagen twee meldingen bij Veilig Thuis omdat haar dochtertje getuige was van het geweld. Toen de situatie precair werd, regelde ik via een fonds een ticket en een paspoort zodat de kleine naar Kimberly’s moeder in Curaçao kon. We waren net op tijd op Schiphol, want ze moest die ochtend nog het paspoort ophalen. Dat had ze niet tijdig geregeld. En ze moest ook nog even nepwimpers kopen.

Aanvankelijk kwam er rust, maar haar vriend bleef komen en ging steeds meer drinken waardoor er weer veel ruzie was. Uiteindelijk zette de woningstichting haar uit huis en moesten we weer alles opslaan. Soms moet je buiten de lijntjes kleuren. Dat heb ik gedaan bij Kimberly. Inmiddels is de kleine weer in Nederland. Kimberly’s moeder blijft hier wonen zodat ze beter voor haar dochter en kleindochter kan zorgen. Dat geeft veiligheid.

Pas geleden is Kimberly achttien jaar geworden en ze vroeg of ik haar nog wilde blijven begeleiden. Mijn manager is akkoord gegaan, want als we haar nu loslaten, gaat het zeker fout. Daar is ze dolblij mee. Ik heb gezegd dat ik blijf, maar dat ik niet meer alle shit ga oplossen.”

In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. De kracht van het alledaagse publiceert elk verhaal afzonderlijk. Het boek staat ook online. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl. Gezien de beperkte oplage kunt u slechts één boek bestellen en op is op! Boek ‘Jeugdprofessionals over die ene jongere’

Kleine pittig mannetje

Kleine man, kom maar

Natasja de Vries was groepsleider op een afdeling voor jonge kinderen bij Jeugdhulp Friesland. Lucien kwam daar toen hij zes jaar oud was en bleef er ruim twee jaar.

“Lucien kwam binnen met een tas vol medicijnen voor zijn gedrag. Een tenger ventje van zes, wat gelaten. Ik zag een lief muisje. Aan zijn ogen kon je zien dat hij al veel had meegemaakt. Hij had een moeilijke start gehad bij zijn moeder en was in een pleeggezin geplaatst. Daar was het mis gegaan. Hij werd gebracht door twee enorm verdrietige pleegouders. Lucien ontwrichtte het pleeggezin. Ze konden het niet meer aan.

Ik was groepsleider op de crisisafdeling, waar kinderen langer konden blijven als dat nodig was. Lucien ging vrij snel mee in de structuur. Hij ging naar school, draaide muziek op zijn kamer en zat soms bij mij op schoot tv te kijken. Zo kregen we contact. We legden uit dat hij hier lang kwam logeren en vertelden waarom hij hier was. Dat wist hij wel. Hij praatte met een hoog stemmetje: “Ja, want het ging niet goed. Ik was heel vaak boos. Dan ging ik dingen doen die niet mochten.”

Lucien begon te wennen en zijn problemen kwamen aan de oppervlakte. Er kwam een kind tevoorschijn met trauma’s en angsten. Als hij iets moest wat hij niet wilde of waarvan hij dacht dat hij het niet kon, raakte hij ontregeld. Dan liet hij primair gedrag zien en ging gillen, huilen of schreeuwen. Hij kon de groep verlaten en in zijn nakie terugkomen, helemaal in paniek omdat hij zichzelf niet meer onder controle had. Hij maakte spullen kapot of ging dwangmatig repeterend schelden: “Stommerd, stommerd, stommerd”. Net zolang totdat hij moe werd of we hem afleidden.

Hij werd mijn mentorkind. Kleine man, kom maar, dat gevoel riep hij bij me op. Ik ging voor hem door het vuur. Samen gingen we op zoektocht. De psychiater gaf medicatie waardoor zijn concentratie verbeterde. De therapeut deed veel rondom hechting en trauma. De gezinsvoogd zorgde voor een veilige omgangsregeling. Daar had hij allemaal baat bij.
Ik ging harder strijden toen ik erachter kwam dat zijn school geen rekening hield met de oorzaak van zijn gedrag. Hij haalde er vaak kattenkwaad uit. Op een gegeven moment moest hij in een apart hokje zitten en kreeg hij een eigen lesprogramma om te kijken wat hij aankon. Als hij tien kruisjes had gehaald, mocht hij terug naar de klas. Dat lukte natuurlijk niet. Als je een boek op zijn tafel legde, wilde hij de Donald Duck lezen en dan was er strijd. Op de groep hadden we een manier gevonden daarmee om te gaan. Ok, lees jij de Donald Duck maar, dan lezen we daarna ook mijn boekje. School wilde daar niet in mee. Hij werd geschorst toen hij het brandalarm ingedrukt had en de hele school moest worden ontruimd.

Hij had ook een andere kant. Iedere week werd hij door Jan, onze facilitair medewerker naar therapie gebracht met de auto. Toen Jan jarig was kocht Lucien van zijn zakgeld een pannetje, want Jan kookte soms voor ons. Ook kocht Lucien een blauwe parkeerschijf want: “Als Jan me wegbrengt moet hij parkeren en denkt hij altijd dat de parkeerwachter hem een bon geeft. Dan wordt hij een paniekpiet.”

Door die puurheid wilde ik dat hij op een goede plek terecht zou komen, een plek waarbij ik het vertrouwen had dat ze hem echt gingen zien. We brachten zijn steunfiguren in kaart: zijn therapeut, zijn pleegmoeder, zijn moeder en ik. Vier vrouwen had hij om zich heen. Samen hebben we gekeken wat hij nodig zou hebben om in een gezinsachtige setting te kunnen leven. Uiteindelijk hebben we die goeie plek gevonden. Een gezinshuis, een mooie grote boerderij en bij ontzettend lieve mensen met veel ervaring in dit werk.

Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten

Ook in dit gezinshuis kreeg hij een terugslag. De psychiater stelde zijn medicatie daarna beter in. De gezinsmoeder investeerde enorm in de hechting en nu gaat het goed. Met de gezinsmoeder heb ik nog contact. Hij woont er ruim drie jaar nu. Het is een pittig mannetje. Hij zit in je hart, dat maakt dat je doorzet. Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten.

Ik doe ruim twaalf jaar groepswerk. Met een deel van de kinderen gaat het goed. Maar ik zie ook ieder jaar kinderen terugkomen, de zogenoemde draaideurkinderen. Soms zien we ze in de pubertijd weer op de crisisafdeling. Lucien kwam heel jong binnen en had bovengemiddelde heftige problemen. Maar ook met een onveilige hechting ben je niet verloren. Daarin geloof ik en vanuit die overtuiging wil ik blijven werken.”

Het verhaal van Natasja en Lucien komt uit de serie ‘Die ene jongere’, waarin jeugdzorgprofessionals vertellen over die jongere die ze nooit vergeten zijn. In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl.

Een smakelijke mijlpaal

appeltaart

  • Eenvoudig als appeltaart

Ze was al over de zeventig. Een fragiele vrouw die de Nederlandse taal nog steeds niet beheerste, hoewel ze hier al veertig jaar leefde. Ze had het zwaar gehad tijdens het huwelijk met haar eerste man, die haar regelmatig zeer ernstig had mishandeld. Hij had het haar verboden om zelfs maar naar buiten te gaan. Zo leefde ze jarenlang als een gevangene achter haar eigen voordeur. Ze kampte dientengevolge met diverse trauma’s, een Post Traumatische Stress Stoornis, leed aan depressies en rookte veel.

Inmiddels was haar eerste man overleden. Ze hadden nooit kinderen gekregen, die ten minste nog een beetje voor haar hadden kunnen zorgen. Ook gezien haar leeftijd was de grootste uitdaging om in haar iets van levenslust op te wekken.

Verder speelde nog die communicatiekloof. Naast dat ze de Nederlandse taal niet sprak, was ze ook laag geletterd. Ik werd ingezet door de bijstandsconsulent van de gemeente, voor wie mijn ondersteuning een welkome aanvulling was en met wie ik een prima samenwerking wist op te bouwen.

Via de moskee had mevrouw inmiddels haar tweede man ontmoet waarmee ze volgens de Sharia wetgeving in het huwelijk trad. Ze werd in veel opzichten meteen sterk afhankelijk van haar tweede man, zoals voor de administratie en al gauw waren financiële problemen ontstaan. Bij de rechtbank was vastgesteld dat de man zijn vrouw geld afhandig had gemaakt. Een onafhankelijke bewindvoerder moest toezien dat zoiets zich niet nog een keer voordeed.

In die periode ontmoette ik ze beiden. Al meteen tijdens mijn eerste kennismaking kwamen de onderlinge spanningen naar voren. Meneer had het voortdurend over geld, mevrouw kwam niet aan het woord. Hij kapte haar steeds af zodra ze maar iets wilde zeggen. Haar bijdrage aan de eerste gesprekken bestonden uit het voorzichtig uitgebrachte woordje “dag”. Dar bleef het bij.

Tijdens de huisbezoeken werd de tijd verder voornamelijk gevuld met de luide protesten van meneer. Hij zag in feite iedereen die namens een instantie door de voordeur kwam aan voor een vijandelijke spion. Ondertussen zocht ik naar manieren om toch enig contact te leggen met mevrouw. Steeds heb ik zoveel mogelijk respect geëtaleerd naar hen beiden.

Ik ben bekend met de cultuur van hun land en ik had geleerd hoe men zich afstemt met andere omgangsvormen. Iedere dinsdagochtend had meneer bezigheden buitenshuis en ik vroeg hem op een passend moment omzichtig om toestemming, of ik mevrouw dan misschien zou kunnen bezoeken. Hij ging daarmee akkoord en ik heb mij zodoende aan die dinsdagochtenden gehouden. Zo lukte het om een vertrouwensband met mevrouw op te bouwen zonder dat zijn vertrouwen in mij in het geding kwam. Stukje bij beetje kwam het gesprek op gang, over haar land, de cultuur aldaar, op zoek naar bevestiging van vertrouwen. Met dat ze iets meer begon te vertellen kwam dat een klein beetje vrij. Op televisie was een dramaserie uit haar land van herkomst die ze volgde. Ik heb de complete serie meteen aangeschaft vanaf seizoen één en ben ook gaan kijken thuis. Hierdoor kon ik mij verder inleven in haar taal, cultuur en gebruiken, de typische uitdrukkingen en me zodoende een beetje de manier van denken, doen en laten eigen maken.

Het bleek onmisbaar om echt goed begrijpelijk met haar te kunnen communiceren. Ik had een opening gevonden om haar te laten vertellen. Zo brachten we elke week twee uurtjes samen door en maakten een vervolgafspraak voor de week erop.

De bewindvoerder en de bijstandsconsulent hadden ondertussen in toenemende mate moeite met de houding en het gedrag van meneer. Hij maakte zich zeer snel boos en zette dan op het gemeentehuis de boel op stelten. Hij riep kwaad om het geld, meer dan eens met zijn wandelstok om zich heen zwaaiend. Elke keer was het wel weer iets, dat hem in het verkeerde keelgat schoot. Of het ging om het kwijtschelden van de kosten voor de bewindvoerder, dan weer om de hoogte van de maandelijkse aflossing van de schuld waar ze de rest van hun leven aan vast zaten, het was elke keer bal.

Na verloop van tijd kreeg ik wat meer vat op de situatie., diplomatiek pendelend tussen hem, de bewindvoerder en de gemeente, zolang als het maar nodig was, waardoor het naar alle kanten uiteindelijk goed is afgestemd.

De band met mevrouw ontwikkelde zich ondertussen positief. Elke dinsdag leek ze weer wat verder op te leven als ze de deur voor me opendeed. Was in het begin de dramaserie een handige insteek om haar aan het woord te krijgen, inmiddels praatte ze uit haarzelf zonder aansporing honderduit. Wat wel zo bleef was dat zodra meneer thuiskwam en ons zo open in gesprek meemaakte, hij direct in zijn vertrouwde gewoonte verviel om haar subiet af te kappen. O zeker moment wierp ik de schroom van mij af en vroeg meneer op de man af voortaan een ogenblik beleefd te wachten tot we uitgesproken waren.

Ik legde daarbij duidelijk de nodige tact aan de dag en droeg zorg meneer daarna altijd te vragen wat hij had willen zeggen. Na dit zo een aantal malen te hebben meegemaakt ben ik wel zo direct geweest aan te geven dat het geen manier van doen was, haar zo de mond te snoeren en met haar om te gaan.

Tijdens één van onze dinsdagochtenden kwam meneer onverwachts eerder thuis en naam plompverloren plaats naast ons op de bank voor de televisie. Mevrouw bracht uit dat ze toch opeens zo’n zin in haart had, waarop meneer spontaan naar de winkel toog om met appeltaart terug te komen. Hij heeft vervolgens zelfs thee voor ons gezet. Ik heb hem overladen met complimentjes en niet onder stoelen of banken gestoken hoe geweldig aardig en attent ik dat van hem vond. Of dit een keerpunt was? Sindsdien hem ik meneer in elk geval zijn vrouw nooit meer horen afkappen.

Met een van hoop vervuld hart voelde ik me bemoedigd om mijn begeleiding met hernieuwd plezier voort te zetten. Want het werk is nooit af en het blijft bijvoorbeeld zaak dat mevrouw elke vorm van stress vermijdt. Dat is ten eerste slecht voor haar bloeddruk, maar door haar mentale kwetsbaarheid verliest ze ook makkelijk het zicht op de werkelijkheid.

Ze zijn op vakantie gegaan naar hun land, een zomer lang. Ze hadden een heel fijne reis. Ze hebben me samen alle verhalen verteld en de foto’s laten zien, ze praatten daarbij honderduit door elkaar en het plezier straalde ervan af.

Als begeleider kun je soms in alle bescheidenheid toch heel veel bereiken, heel vaak een kwestie van één stap tegelijk zetten. Dan is soms iets zo eenvoudigs als appeltaart een mijlpaal van jewelste.

  • Bron: Het nieuwe thuis – verhalen uit de praktijk | TalenTonen Zorg en ontwikkeling

Kijken naar jezelf

verrekijker

  • De omgekeerde verrekijker

Ik had al diverse keren aangebeld bij hem voor een nadere kennismaking, maar hij deed tot dan toe nooit open. Zo’n eerste contact, het worden toegelaten om binnen te komen, is echt een bepalend moment. Hij keek mij langdurig aan en nam me aandachtig op, met doordringende blik, één die je nog lang bijblijft, om ten slotte te verklaren: “Ik zie in jouw ogen dat ik jou kan vertrouwen.” De eerste stap was gezet, ik was de drempel over, letterlijk.

De GGZ had mij gebeld over een jongeman, die aan ernstige depressies leed en daarvoor ook medicijnen gebruikte. Hij leefde geïsoleerd, wilde met niemand contact onderhouden, was diep ongelukkig en kampte met een oorlogstrauma. Hij was alleen in Nederland, als enige van zijn familie en miste zijn moeder, die was achtergebleven in et land van zijn herkomst. Liefst zou hij haar ook naar Nederland halen, maar dat behoorde niet tot de mogelijkheden, een gegeven waar hij emotioneel slecht mee om wist te gaan.

We richtten ons samen op het verbeteren van de samenwerking met de bijstandsconsulent van de gemeente en met de medewerker van Vluchtelingenwerk. Dat kreeg steeds beter gestalte. Om sociaal en persoonlijk te functioneren was hij sterk afhankelijk van een hoge dosis medicijnen: een goed contact met de huisarts had dan ook hoge prioriteit. In veel gesprekken kwam het onderwerp van die medicatie aan bod, ook het afbouwen daarvan. Verder werkten we aan een mentale omslag: hoe oplossingsgericht te denken in plaats van probleemgericht.

Naarmate het proces vorderde leerde hij zichzelf meer en meer vanaf de buitenkant te bekijken. Tot die omslag zich voltrok werden zijn gedachten meest gestuurd door gevoelens van verlies, pijn en verdriet, waarbij het missen van zijn moeder ook steeds weer opspeelde. De begeleiding bestond er ui hem veel aan het woord te laten, echt te laten vertellen, om hem goed te leren kennen. Daarbij was het zaak om vertrouwen op te bouwen, door de gemaakte afspraken strikt na te komen en mijn woord gestand te doen.

“Vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard”, zo klinkt de uitdrukking, dat was iets wat zeker voor hem gold. Ik diende hem zo open mogelijk te benaderen, wilde ik dat hij mij als zijn begeleider zou aanvaarden, als zijn ‘anker’ te zien. Ik moest me heel bewust blijven om geen verborgen dimensies te representeren of dubbele agenda te voeren, zoiets had hij zeker aangevoeld.

Hij vertelde continu over zichzelf vanuit de dimensie “Ik ben ziek.”. Ik hield hem daarover voor, dat hij als de geestelijke observator van zichzelf dan ook een gezond perspectief kent. Ten tweede zei ik: “Je kunt de verrekijker ook omkeren, hem niet alleen richten op het verleden, maar proberen te richten op het huidige moment, het hier en nu en je plek in Nederland”. Een beeld om hem duidelijk te maken: “Je bent nu hier, op deze plek en wat je hier doet, maakt wie je bent. Ontdek jezelf, zie in wie je bent door te zien waar je bent, wat je hier kunt doen”.

Hem meer bewust makend van het feit dat hij hier in een heel andere maatschappij is, waar hij andere doelen kan stellen, waar nieuwe kansen liggen, in een land waar hij echt vrij kan zijn.

Hij is diepgelovig en belijdend moslim. Hij bleek op zeker moment ook te zijn benaderd door fundamentalistische moslims. Ik bleef ook in die fase, door dat proces heen, intensief met hem werken. We hebben samen gevast tijdens de ramadan, ik bracht respect op voor zowel zijn persoon als voor zijn geloofsopvatting. Ondertussen bleef ik de lijn vasthouden: De nadruk leggen op een kernboodschap, dat het niet slechts gaat om ‘wie je bent’, als in ‘waar je vandaan komt’, als houvast uit het verleden, maar dat ‘waar je bent’ minstens zo belangrijk is, en dat vanuit dit hier en nu, vanuit jouw persoonlijke wil te bepalen is ‘hoe jouw toekomst hier er uit zal zien.’. Vanuit deze drie componenten, dit proces van zelfrealisatie, is hij zich onder meer bewust geworden van het feit dat de radicale islam hem niets te bieden heeft.

Het besef drong door dat hij als moslim, met in inachtneming van alle daarmee verbonden normen en waarden, binnen de Nederlandse maatschappij alsnog zijn persoonlijke doelen zal kunnen bereiken en vervullen. Nederland is daarmee dan ook voor hem niet langer enkel een afstandelijk land van regels en betalingen maar ook een omgeving die mogelijkheden en kansen biedt. Het was voor zijn proces echter wel van cruciaal belang om hem continu dat meerzijdige beeld voor te houden.

Als begeleider is het soms zaak om mensen een spiegel voor te houden, waarin mensen zichzelf opnieuw ontwaren, in een volslagen nieuwe leefomgeving. De re- en integratiefase, waarin iemand zich opnieuw zal moeten enten, gaat ook over hoe je persoonlijk actief kan afstemmen op een compleet gewijzigde maatschappelijke ordening. Deze overgang is in zijn geval zeer succesvol verlopen. Hij ontwaarde op enig moment: “Ik ben zelf meester van mijn geest en van mij hart”.

Hij leerde, dankzij dit te ervaren, dat voor vrijwel elk probleem oplossingen bestaan en dat hij zelf zijn richting bepaalt. Het is een machtige uitdaging om jouw eigen persoonlijk talent nar boven te halen. Dat potentieel te helpen ontsluiten. Want ook hij was zich ervan bewust, dat om zijn doelen te bereiken, hij zelf de ladder daartoe uiteindelijk zelf zou moeten beklimmen. Zo had hij de diepgewortelde wens om ontwerper te worden.

Hij voltooide zijn inburgeringstraject met succes. Omdat hij zich graag inzet voor de gemeenschap heeft hij op verschillende plekken vrijwilligerswerk gedaan. Het bracht hem ook weer onder de mensen en hielp hem om uit zijn isolement te raken. Vervolgens kwam hij in contact met een bedrijf dat hem een werkervaringsplek aanbood.

Inmiddels is hij werkzaam bij weer een ander bedrijf, met een in eerste instantie tijdelijke aanstelling. Het contract voor onbepaalde tijd ligt al klaar, inclusief een door de werkgever betaalde opleiding. Binnenkort zal ik mijn begeleiding beëindigen, vervuld van een groot gevoel van voldoening.

Deze jongen is geslaagd, hij sprankelt echt en schittert van zelfvertrouwen.

  • Bron: Het nieuwe thuis – verhalen uit de praktijk | TalenTonen Zorg en ontwikkeling

Ik zie dat ik jou kan vertrouwen

ouderlijk gezag
  • Rug recht in de rechtbank
Wat zijn de dagelijkse dilemma’s uit de praktijk? Met verhalen uit de praktijk geven professionals van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond een inkijkje in het ingrijpende werk van een jeugdbeschermer. Zoals met het verhaal van Emma.
 
Al drie maanden is deze procedure aan de gang. Ik ben bij zitting nummer drie omdat de rechtbank eerder niet tot een besluit kon komen. Niet zo gek, want een gezagsbeëindiging uitspreken doe je niet wanneer er ook maar 1% twijfel is.
 
Wie denkt dat vragen aan de rechtbank om een ouder gezag af te nemen een routine-klusje is voor de jeugdbeschermer, onderschat hoe zwaar ons werk is. Dit is niet iets wat de gemiddelde jeugdbeschermer fluitend doet. Het laat mij alles behalve koud en ik kan lang aanhikken tegen zo’n zitting. Ik zie het verdriet van een moeder en de spanning bij de betrokkenen. Ik ben mij sterk bewust van de impact van ons werk.
 
Berusting is wat er moet komen. Berusting voor de hoofdpersonen in dit verhaal. Twee lieve kinderen van zeven en vijf jaar, moeder, vader en oma. Berusting over de woonplek van de kinderen. Voor nu tot aan volwassenheid.  En gelukkig krijgen zij nu wat ze zo nodig hebben na hun valse start in hun leven. Namelijk, veiligheid en stabiliteit bij oma; de plek waar zij zich na vijf jaar eindelijk thuis beginnen te voelen.
 
Moeder heeft hard gevochten. Er is niet goed voor haar gezorgd toen zij zelf nog een jong kind was. Ook zij heeft een valse start gehad in het leven. Ook zij was ooit slachtoffer en is ernstig beschadigd. Moeder  was een angstige  instabiele vrouw van wie haar emoties alle kanten uit gingen. Van wanhoop naar vrees, van verdriet naar boosheid, van intense liefde naar knetterende haat. Altijd in strijd met zichzelf en de mensen om haar heen. Soms tot het punt van schreeuwen en fysieke agressie.
 
Moeder is gegroeid door de jaren heen. Ze heeft meer en meer controle gekregen over haar grillige emoties en over haar leven. Dat is mooi om te zien. Ik zeg het haar vaak, ik hoop dat ze me hoort.
 
Waarom deze vrouw dan toch “straffen” met het afnemen van haar gezag? Want dat is hoe moeder het voelt. Waarom dan nu? Het antwoord is; haar instabiliteit is onveilig voor de kinderen. Al die stress en heftige emoties van hun moeder, het maakte ze angstig en onzeker. Jaren later zijn deze sporen nog duidelijk zichtbaar in hun gedrag. Mama houdt veel van ze, maar dat maakt alles ook zo ingewikkeld.  Mogen ze wel blij zijn met hun nieuwe eigen  kamer bij oma, maken ze mama daar niet verdrietig mee?
 
We vragen van deze moeder het allermoeilijkste; stoppen met vechten en berusten. In het belang van de kinderen.
 
In de rechtbank staat een gespannen moeder, naast een intimiderende advocaat, klaar voor een strijd. Ik lieg als ik zeg dat zo’n toga mij niets doet. De rechtbank is veel meer het terrein van de advocatuur. De advocaat geeft mij, met een strenge blik, een hand. De toon is gezet.
 
Ik heb mijn betoog uitgeschreven. Ik ben gespannen en dan is het moeilijk om in de rechtbank onze visie helder en sterk neer te zetten. Wij zijn er voor het belang van de kinderen. Het blijft een imponerende setting. Deze kinderen hebben het nodig dat ik mijn werk goed doe vandaag, dat ik geen steken laat vallen.
 
Ik hoop dat mijn betoog ook recht doet aan de sterke vrouw die moeder inmiddels is. Ook al staat het bijna haaks op ons verzoek.
 
De rechter doet uitspraak. Hij beëindigd moeders gezag. De kinderen zullen opgroeien bij oma. Links van mij zit een ontroostbare moeder. Achter mij voel ik de opluchting van oma en de vader van de kinderen. Hoewel ik tevreden ben over de uitspraak van de rechter, verlaat ik de rechtbank met een bedrukt  gevoel.
 
Het is twee weken na de zitting en moeder komt vandaag voor het eerst weer op gesprek bij mij. Een bekende van de moeder heeft mij erop geattendeerd dat moeder haar verdriet en boosheid grof heeft geuit op social media. Moeder zou het liefst mijn keel dicht knijpen. Ik herken hierin haar impulsiviteit en heftige manier van reageren. Een post op social media is zo geplaatst, met één klik. Ik had het liever niet geweten.
 
Zou ze op de afspraak komen? Hoe zit ze erbij? Ik vind het moeilijk om in te schatten hoe dit gesprek gaat verlopen.
 
Moeder komt binnen en geeft mij gespannen een hand. Ze uit haar verdriet en boosheid. Ze praat snel en luid met wilde armbewegingen. Ze struikelt soms over haar woorden. Ik geef haar de ruimte. Ik probeer nogmaals zo goed mogelijk antwoord te geven op haar vragen en haar gerust te stellen. We zetten haar niet op een zijspoor, ze is en blijft de moeder van deze twee kinderen. Ze is belangrijk. Ik vraag haar of ze in hoger beroep zal gaan. Ze zegt; “oma zorgt goed voor mijn kinderen. Dat weet ik echt wel, hoe pijnlijk ik dit ook vind. Ik stop met dit gevecht. Ik moet het een plekje gaan geven.”

Wat is ze een goede moeder geworden… Ik hoop dat ze zich dat beseft.

  • Emma
    Jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond

 

  • Vanwege privacy redenen is het verhaal geanonimiseerd.

Veilig thuis

violence

  • Het pardon van de generaal

Wij zijn begeleiders. Wij ondersteunen mensen bij het oplossen van hun problemen, voor zover mogelijk althans.

We werden in eerste instantie in gezet door het Centrum voor Jeugd en Gezin. Twee zoons hadden problemen op school. Ze werden gepest op de taalschool. De jongste kampte daarbij met veel frustraties, wist zich slecht te uiten, al helemaal in de Nederlandse taal. Hij gedroeg zich bij vlagen agressief en liep dan ook wel weg van school. Als begeleiders hebben wij uitgebreid gesprekken gevoerd met de leerkrachten. Na overleg werd gekozen voor speltherapie.

De problemen in het gezin leken zich te centreren rond de vader. De vader was militair geweest in hun land van herkomst. Als militair had hij veel strijd gezien in verschillende conflictgebieden. Zoals van een militair wel te verwachten valt, was hij zeer autoritair, zijn woord was wet. Als hij een opdracht gaf was dat altijd in de vorm van een bevel. OP zekere dag keerde de situatie zich tegen hem, ten gevolge waarvan hij een jaar gevangenisstraf kreeg opgelegd. De gebeurtenissen zetten het gezin uiteindelijk aan tot een vlucht naar Europa.

De moeder van het gezin is een nette en oprecht welwillende vrouw, die alle bereidheid toont om te integreren en in Nederland een nieuw leven op te bouwen. Zij kwam na een zware tocht als eerste aan in Nederland, vergezeld van haar jongere broer. Haar twee zoons waren vooralsnog achtergebleven bij hun grootmoeder, het gezin werd later herenigd. Zij was behoorlijk trots op die prestatie en heel gelukkig dat de gezinshereniging zo goed was gelukt. Ze pakte de zaken voortvarend aan en met toenemend zelfbewustzijn.

Toen ik haar ontmoette sprake ze al een klein beetje Nederlands. Naarmate ze de taal steeds beter onder de knie kreeg had ze ook snel in de gaten dat je in Nederland met allerlei instellingen, hun regels en regelingen te maken hebt. Dat daarbij een goed gevoerde financiële administratie heel belangrijk is. Ze nam daarin het voortouw, boven haar man. Hij kon dat maar slecht verdragen. Hij was analfabeet en overzag niet wat daarbij kwam kijken. Hij begreep niet waar het geld dat maandelijks binnenkwam allemaal naar toe ging.

Haar succesvolle integratie vormde in zijn beleving een bedreiging voor zijn status, als gezinshoofd. Het leidde tot wantrouwen en spanningen. Dat was lastig. Moeder was bovendien kort na de hereniging in verwachting geraakt van de tweeling en de omstandigheden vroegen om een intensieve begeleiding. Een begin van vertrouwen tussen ons en het gein was gelukkig snel tot stand gebracht.

Vanuit ons team werd een begeleider ingezet die hun taal sprak en bekend was met cultuur en zeden. Hij kreeg al snel een vertrouwensrol en werd als een soort wijze oom geaccepteerd in het gezin. Aanvankelijk leek alles goed te verlopen. De gezinsleden waren positief betrokken bij de inmiddels snel naderende komst van de tweeling. Wij hadden in rap tempo de kraamzorg geregeld, een bedje aangeschaft en hielpen bij het nodige overleg met huisarts en ziekenhuis. Wij kregen steeds meer regietaken.

De tweeling werd te vroeg geboren. De bevalling was zwaar. Onze begeleider heeft op afstand gedurende de hele nacht telefonische bijstand gegeven en daarbij ook tussen de artsen en ouders intensief getolkt. Als begeleider is zoiets een hele gebeurtenis, een indringend proces waarbij het niet mogelijk is geen emotionele betrokkenheid te tonen. Vanaf dat moment werd de begeleider voor het gezin een welhaast onmisbare factor, als ondersteuner bijna lid van het gezin.

De eerste vier weken lagen de baby’s, twee meisjes, in de couveuse. Vader en moeder konden daar niet bij blijven maar elke dag gingen ze trouw en bezorgd langs in het ziekenhuis. Met haar jongere broer, waarmee de moeder de eerste reis naar Nederland had volbracht, was de band op eenzelfde manier door de gedeelde ervaring sterk gehecht geraakt. Tot dat moment woonde hij ook nog bij het gezin in huis.

Nadat de meisjes goed en wel gezond thuis waren gekomen kreeg ze haar handen meer dan vol aan het zorgen, voeden en verschonen. De steun van haar broer was onmisbaar en de band werd zodoende ook steeds hechter. Hij ontfermde zich als een toegewijde hoeder over de twee zoons, zijn neefjes. Vader had het daar in toenemende mate zichtbaar moeilijk mee te stellen. Dat uitte zich in wantrouwen en jaloezie, het leidde, zelfs regelmatig tot lichamelijk geweld naar zowel de broer als de zoons.

Helaas is de vertrouwenspersoon daarover door niemand van het gezin ingeseind. De kinderen zwegen, uit angst. Verder waren geen aanwijzingen voorhanden dat dit alles speelde. Wel belde vader vaak met de begeleider. Daarbij uitte hij steeds grote woede naar zijn vrouw. Dat ze hem te weinig aandacht zou geven. Dat hij haar niet met geld vertrouwde. We namen regelmatig de moeite om het allemaal nog een keer uit te leggen, waar het de inkomsten en de uitgaven betrof. Toch bleef hij overtuigd dat zijn vrouw hun geld naar de familie doorsluisde.

Op zeker punt gaat men zich als begeleider wel steeds meer zorgen maken. Gaat dit nou wel alleen over een geldprobleem? Hoe ver gaat de onderlinge machtsstrijd? De vader was in toenemende mate obsessief wantrouwend, zelfs zodanig dat hij op een zeker moment eiste, dat de broer de toegang tot het huis en gezin zou worden ontzegd. Daarbij uitte hij ernstige doodsbedreigingen aan het adres van de broer.

Daarop is snel geacteerd. In krap 48 uur, dankzij een goede samenwerking tussen TalenTonen en Nidos, werd voor de broer opvang geregeld. Nog diezelfde dag kwam vader, vergezeld van een groep vrienden, thuis aanzetten met nieuw meubilair. Het huis werd compleet opnieuw ingericht. Vader installeerde zich daarmee nadrukkelijk als en koning op de troon, maar moeder en de kinderen raakten in een acute emotionele shock. Elke vorm van contact met haar broer werd de moeder door vader verboden.

De spanningen bleven zich opbouwen, de vader verviel in toenemende mate in agressief gedrag en nam toevlucht tot lichamelijk geweld. Door het geweld thuis kwamen de kinderen op school in botsing met leerkrachten.

Op zekere morgen werd de begeleider door moeder gebeld, in complete ontreddering. Ze was lichamelijk toegetakeld, haar gezicht was zwaar gehavend en er waren zelfs sporen van een wurgpoging te zien. De aanleiding was dat vader had ontdekt dat zijn vrouw tegen zijn zin toch buiten hem om contact was blijven houden met haar broer. Dan wordt een heel ander traject ingezet. Met de zichtbare verwondingen als onomstotelijk bewijs van het zware lichamelijke geweld door de vader is direct melding gedaan van huiselijk geweld bij politie en Veilig Thuis. De vader heeft het ons echter allemaal niet licht vergeven.

Door Veilig Thuis werd een gezinsonderzoek opgestart, uitgebreid werd overlegd tussen ons en het centrum voor Jeugd en Gezin en ook de wijkagent was rechtstreeks betrokken bij de situatie. In de tussentijd en volgens de toepasselijke culturele zeden en gewoonten hebben we een ontmoeting met familieleden georganiseerd, ook met als doel dat de vader zijn oprechte excuses zou maken aan zijn vrouw. Na uren van praten knielde hij letterlijk voor de voeten van zijn vrouw en vroeg haar om vergeving. Zij aanvaardde zij excuses, door onder meer ritueel haar hand op zijn schouder te leggen.

Het bleek achteraf helaas allemaal schone schijn, een toneelstuk. Moeder vertolkte slechts een rol in een door vader geregisseerd toneelstukje. Dat bleek ook weer tijdens het vervolgoverleg met betrokken instanties. Daarbij kwam moeder, gezeten aan het hoofd van de tafel, in voor haar doen duidelijk Nederlands met de boodschap dat het gezin het vertrouwen in onze begeleiding had verloren. Dat ze wilden stoppen met onze begeleiding.

Wij hadden het gezin al met al een jaar zeer intensief begeleid. Stonden wij uit betrokkenheid te dichtbij., hebben we in een eerder stadium adequaat de signalen van spanning en dreiging geregistreerd van de vader? Vanuit het vrijwillig kader waarbinnen wij functioneren blijf je sterk afhankelijk van hoe open of gemotiveerd de door jou te helpen persoon zich opstelt. Het moet van twee kanten komen, wil je echt resultaten behalen. De vrijwilligheid in de ondersteuning is echter een kenvoorwaarde om een solide vertrouwensband op te kunnen bouwen. Je moet anderzijds op zeker moment zonder aarzeling acuut ingrijpen. Per slot van rekening zijn we ook gehouden aan de meldcodes en het professionele protocol. Vanuit het zogenaamd ’gedwongen kader’ heeft Veilig Thuis een maand na ons formele vertrek de moeder met haar kinderen thuis opgehaald. Voor hen is een veilige plek gevonden in de gezinsopvang.

Wie wil betekenen

baby

Wat zijn de dagelijkse dilemma’s uit de praktijk? Met verhalen uit de praktijk geven professionals van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond een inkijkje in het ingrijpende werk van een jeugdbeschermer. Hieronder  het verhaal van Kevin.

Mijn jongste cliënt is Tamara. Tamara is zeven maanden jong en met ernstig letsel in het ziekenhuis opgenomen. Het verhaal dat haar ouders vertellen over wat er met haar is gebeurd, komt volgens artsen niet overeen met de verwondingen van Tamara. Het ziekenhuis denkt dat de ouders iets te maken hebben met het letsel. Haar ouders blijven dit ontkennen. De precieze toedracht zal waarschijnlijk nooit duidelijk worden.

In het belang van Tamara denken wij dat het beter voor haar is om tijdelijk even ergens anders te gaan wonen. Na haar ziekenhuisopname hebben we Tamara daarom in een pleeggezin geplaatst. Daar verblijft zij nu nog steeds. Er zijn afspraken gemaakt over de momenten waarop er contact is tussen Tamara en haar ouders. Tijdens deze contactmomenten hebben we gekeken naar het contact tussen ouders en Tamara. Daaruit is niet gebleken dat Tamara niet terug naar haar ouders zou kunnen.

Op dit moment ben ik onderweg naar de ouders van Tamara om met hen te bespreken wat nodig is om Tamara terug naar huis te laten komen. Het allerbelangrijkste is dat het thuis veilig is voor haar. Als ik bij het huis aankom en aanbel, doet moeder de deur open. Moeder maakt een nerveuze indruk. Achter haar aan loop ik de woning binnen naar de woonkamer. Vader zit aan tafel. Hij geeft mij een hand. Ook op zijn gezicht zie ik de spanning. Ik weet hoe graag de ouders willen dat Tamara weer naar huis komt. Ik bespreek met de ouders dat ik vandaag met hen in kaart wil brengen wie het allemaal belangrijk vinden dat het goed gaat met Tamara, want als Tamara straks naar huis komt, willen we zeker weten dat ze veilig is. Dat ze niet opnieuw letsel zal oplopen. Hoe meer mensen uit het netwerk betrokken zijn en weten wat er speelt, hoe veiliger het zal zijn voor Tamara.

Daarom ga ik vandaag samen met de ouders het netwerk van de ouders van Tamara in beeld brengen.  De ouders kijken elkaar aan, waarna moeder het woord neemt. Moeder geeft aan dat zij niemand hebben. Ik laat me niet ontmoedigen door wat moeder zegt. Het komt vaker voor dat ouders zeggen dat er geen netwerk is. Ik leg ouders uit dat ik, ondanks de woorden van moeder, toch graag met hen hier verder over in gesprek wil.

Uit ervaring weet ik, dat er altijd wel iemand is. Dat het vaak toch mogelijk is om iemand van wie je op voorhand denkt dat die niet betrokken wil worden, toch te betrekken. Ouders gaan schoorvoetend akkoord. Ik leg een vel papier midden op tafel waarop ik de naam van Tamara zet en die van haar vader en moeder. Ik vraag aan vader wie zijn ouders zijn en of hij broers of zussen heeft. Vader noemt de namen van zijn ouders. Ik schrijf de namen op terwijl vader vertelt dat hij ook een zus heeft. Vader zegt er meteen achter aan dat hij al heel lang geen contact meer heeft met zijn zus vanwege een ruzie jaren geleden. Aan moeder stel ik dezelfde vragen. Ook vraag ik ouders of zij contact hebben met mensen buiten hun familie. Bijvoorbeeld met de buren, iemand van de sportclub of met iemand uit hun kerk. Ik vraag aan ouders wie er weten dat Tamara in het ziekenhuis heeft gelegen en op dit moment in een pleeggezin verblijft.

Ondanks het feit dat ouders aangaven dat zij niemand hadden, staan er nu verschillende namen op het vel papier dat voor ons op tafel ligt. Namen van mensen die mogelijk iets zouden kunnen betekenen op het moment dat Tamara naar huis komt. Dit is hoopgevend,  maar ik realiseer me tegelijkertijd dat dit nog maar het begin is.

Zouden de ouders bereid zijn om met deze mensen in gesprek te gaan? Om hen te vertellen wat er aan de hand is en om samen met hen een plan te maken om te voorkomen dat Tamara nog een keer met letsel in het ziekenhuis terecht komt. En zou het netwerk wel bereid zijn om met de ouders in gesprek te gaan en samen met hen een plan te maken? Wie uit het netwerk -wil en kan -daadwerkelijk iets betekenen voor Tamara en haar ouders? Zit er ook iemand tussen die aan de bel durft te trekken op het moment dat het niet goed gaat? Op alle deze vragen zal nog antwoord moeten komen.

Hoewel we er dus nog lang niet zijn, heeft het gesprek van vandaag Tamara wel een stukje dichterbij haar ouders gebracht.

  • Kevin
    Jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond

 

  • Vanwege privacy redenen is het verhaal geanonimiseerd.

Het geheel zien

schizofrenie

  • De verschillende facetten van de ene steen

Ik leerde hem kennen in 2011. Hij woonde in een daklozenopvang en de meeste instanties hadden hun hulp gestaakt omdat hij onbereikbaar was geraakt. Hij ontving wel medicatie en was in behandeling bij een GGZ-instelling. Hij sprak green Nederlands, Dat is voor hulpverleners belemmerend. Je kunt geen diepgang geven aan een gesprek. In deze soort situaties wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de tolkentelefoon. Toch is dat stressvol, deze indirecte communicatie. De client kan daarop afknappen.

De problemen begonnen rond het jaar 2000. Als bestuurder van een auto, zonder rijbewijs, raakte hij betrokken bij een ernstig verkeersongeluk. Vier passagiers kwamen te overlijden. Zelf is hij enige tijd in coma beland. Hij hield lichamelijke klachten en een trauma over aan het ongeluk. Zo was hij éénzijdig verlamd geraakt en leed hij aan waanvoorstellingen. Hij raakte financieel in de schulden, gedroeg zich in toenemende mate verward, is gescheiden, verloor zijn huis en raakte daardoor dakloos.

Tot op de dag van vandaag rakelt hij dezelfde verhalen op uit zijn verleden, als een defecte platenspeler dezelfde, verwarde inhoud repeterend. Terroristen zouden zijn moeder hebben omgebracht bijvoorbeeld. Op zeker moment is de diagnose gesteld, dat hij aan schizofrenie lijdt. Patiënten met deze diagnose hebben diverse deelpersoonlijkheden, rollen zo je wilt, zo was hij dan weer een geheim agent, dan weer werd hij politiek vervolgd, soms was hij de zorgzame vader, dan weer de ober in een duur restaurant. Ik sprak zijn moedertaal en ik kende zijn cultuur, laag voor laag aftastend zocht ik naar zijn ware ik. “Wie heb ik nu voor me?”, was elk moment een relevante vraag.

Gaandeweg ontdekte ik dat mijn zoektocht naar een persoonlijke kern in hem tevens de zijne was. Naast de vraag wie hij eigenlijk was, speelde ook nog de vraag: ”Wat wil jij? Door met hem mee te gaan in zijn ontdekkingstocht won ik steeds wat vertrouwen. Zodoende kon ik een werkbare relatie opbouwen en meer toekomgericht te werk gaan.

Voor de aanrijding werd hij aangeklaagd en vervolgd. Het resulteerde in een veroordeling waarbij hij de keus had tussen een jaar gevangenis of een langdurige taakstraf doen. Ik heb voor hem met de reclassering zoveel mogelijk afgestemd. Ook vond ik een advocaat die de zaak in hoger beroep op zich wilde nemen. De taakstraf kreeg uiteindelijk de vorm van dagbesteding.

Ook daarin werd een beroep op m ij gedaan, om hem te begeleiden, opdat hij ook daadwerkelijk de taakstraf zou volbrengen en niet alsnog de gevangenisstraf kreeg. Hij heeft aantoonbaar goed gedrag vertoond, zijn taakstraf heft hij tot een goed einde gebracht. De genoemde schulden hielp ik in overzicht brengen en heb vervolgens een bewindvoerder ingezet.

Loslaten deed ik niet. Ik luisterde geduldig naar al zijn verhalen. Ik wist dat hij op enig moment weer op eigen vermogen in het leven zou moeten komen te staan, maar voor nu ging ik overal met hem naar toe. Ik nam de regie over zijn leven over en nam hem bijvoorbeeld mee naar restaurants, bracht hem etiquette bij, legde hem dan uit, hoe men zich had te gedragen. Zo ontdekte hij via mij de wereld en hoe men zoal leeft hier in Nederland. Inmiddels woont hij zelfstandig in een studio, weet goed voor zichzelf te zorgen, gedraagt zich verantwoordelijk en geeft nog altijd toegewijd invulling aan zijn dagen.

Het vervult mij met dankbaarheid hem te hebben kunnen helpen om zijn dakloosheid aan te pakken, een oplossing te vinden voor zijn schulden. Hij gaat nu ook taallessen volgen om beter Nederlands te leren spreken. Op zijn beurt is hij mij erkentelijk voor het feit dat ik hem zo goed heb ondersteund, iets wat ik overigens nog steeds doe. Het is een open vraag, hoe, of en wanneer ik deze hulpverleningsrelatie kan afkoppelen. In feite is dan toch een afhankelijkheidsrelatie ontstaan, dat is iets waar je ook voor moet hoeden.

Dankzij onze samenwerking heb ik ontzettend veel geleerd. Ondanks zijn verwarring beschikt hij over encyclopedische kennis van de wereldgeschiedenis en kan daar langdurig en uitgebreid over uitweiden. Ook weet ik nu hoe door een nieuwe bril tegen situaties en mensen aan te kijken, voor bij de eigen, begrensde professionele en persoonlijke kaders en optiek.

Met hem meelevend leerde ik hem en zijn situatie op verschillende manieren te beschouwen. Soms kan bijvoorbeeld uit het niets toch weer die andere deelpersoonlijkheid tevoorschijn komen, die compleet een andere visie ten beste geeft dan degene waarmee je tot dat moment in gesprek was, terwijl het om één en dezelfde persoon gaat. Daardoor kunnen opnieuw problemen ontstaan met zijn omgeving. Helemaal loslaten is daarom haast niet te verantwoorden. Persoonlijke ervaring met de client is in zo’n geval echt onmisbaar. Bijvoorbeeld, te weten met welk personage men op enig moment te maken heeft.

Elk deelpersonage vertelt vanuit een andere invalshoek uiteindelijk hetzelfde verhaal. Maar het is de kunst om naar alle verschillende facetten van de sten te kijken. Hoe het licht steeds anders valt, dit heb ik misschien nog het meeste dankzij hem geleerd.

  • Bron: Het nieuwe thuis – verhalen uit de praktijk | TalenTonen Zorg en ontwikkeling