Ontschotten als sleutel

breaking walls.png

Soms is een zorg- of ondersteuningsvraag te complex en lukt het niet om een oplossing te vinden. De gemeenten Hillegom, Lisse en Teylingen (HLT) bedachten hier iets op: de ontschotter. Iemand die als ‘noodknop’ dient wanneer professionals vastlopen.

Iedereen kent ze wel, de personen of gezinnen met complexe problematiek, die vastlopen in het systeem. Vraag en aanbod van hulp lijken elkaar niet te bereiken. Of cases waar veel inspanning is geleverd, terwijl achteraf bleek dat een kleine interventie voldoende was geweest. De gemeenten Hillegom, Lisse en Teylingen (HLT) bedachten hier iets op: de ontschotter.

Wat doet een ontschotter?

Wenda Tijssen, de eerste officiële ‘ontschotter sociaal domein’ van Nederland vertelt: “Een ontschotter komt in actie als er geen beweging meer zit in iemands probleem of casus. Zij organiseert een casusplatform. Een bijeenkomst waarvoor alle professionals uitgenodigd worden die met de cliënt in gesprek zijn. De cliënt mag ook aanwezig zijn wanneer hij of zij dat wenst. Meestal kiest men hier niet voor. Omdat men er wel een beetje klaar mee is of ‘er twijfel is of dit gaat werken’.”

Doorbraak forceren

Tijdens de bijeenkomst zoeken de professionals samen naar een oplossing. Men gaat niet weg tot er een doorbraak is. Hierbij werken de deelnemers vanuit de vraag van de cliënt. Wat is het eerste probleem waar men mee zit? Wat is er nodig om dit probleem of deze vraag op te lossen? Door buiten de kaders van de eigen discipline te denken, komen er soms hele nieuwe oplossingen naar boven. De professionals werken ‘hands on’. Ze doen direct telefoontjes en aanvragen om de situatie vlot te trekken. Vaak is er nog een paar keer contact nodig voordat alles rond is. In de meeste gevallen is de casus binnen drie weken vlot getrokken. Als men er niet uitkomt heeft de ontschotter mandaat en budget om een besluit te nemen.

Leren over de werkwijze

Ieder casusplatform wordt achteraf geëvalueerd. Hierdoor wordt er veel geleerd over de werkwijze. Vertrouwen en samenwerking tussen professionals uit verschillende organisaties groeit. De samenwerking wordt verstevigd en de professionals weten elkaar vaak beter te vinden bij een volgende casus.

Drie voorbeelden van creatieve oplossingen

  1. Een meneer kreeg een beschikking voor dagbesteding om meer te gaan bewegen op 30 minuten reizen van zijn huis. Meneer had maar energie voor 1,5 uur per dag, dus dit hielp niet. Als tuinliefhebber heeft hij toen verhoogde bloembakken gekregen. Zodat hij vanuit zijn rolstoel zijn tuin bij kan houden. Nu heeft hij de dagbesteding die hij wil. Dit kon eerst niet omdat de gemeente bang was dat iedereen dit soort dingen zou gaan aanvragen.
  2. Een jong volwassene moest uit haar kamer. Ze had een laag inkomen en schulden. Daardoor was het moeilijk om een andere kamer te krijgen. Ze had een aanvraag gedaan bij het noodfonds om haar te helpen garant te staan. Maar haar aanvraag werd afgewezen omdat het niet om ‘zelfstandige woonruimte’ Door inzet van het casusplatform werd toch garant gestaan voor één maand huur. Zo heeft ze een nieuwe kamer kunnen krijgen en wordt ze nu ondersteund bij  het wegwerken van haar schulden.
  3. Een meneer met veel beperkingen moet eigenlijk naar een verpleeghuis omdat hij ieder moment kan omvallen en dan geen hulp meer kan inroepen. Tijdens het casusplatform kwam de fysiotherapeut met het idee om een hulphond in te zetten. Meneer houdt van honden en de hond kan een alarmbel indrukken. De hulphond wordt nu opgeleid.

Succesfactoren

Waarom werkt dit? Er zijn meerdere redenen waarom de ontschotter vooruitgang boekt:

  • De ontschotter beschikt over ‘handgeld’ van de gemeente. De ontschotter kan zelf geld besteden om een (voor)financiering te doen. Deze financiering wordt vaak alsnog via de normale wetten en fondsen ingediend en gehonoreerd. Maar nu is er budget beschikbaar om out-of-the-box-oplossingen te financieren. Deze manier van financieren geeft veel ruimte om vanuit de vraag van de cliënt te handelen.
  • De ontschotter krijgt het mandaat van de gemeenten om te doen wat nodig is. Hiermee neemt de gemeente verantwoordelijkheid voor ingewikkelde cases die anders vast zouden lopen.
  • Er zit veel kracht in de titel ‘ontschotter van de gemeenten’. Deze titel opent al veel deuren die wij niet kunnen openen.. De titel geeft aan dat er noodzaak is om vaart in de casus te krijgen.
  • De ontschotter bezit ten minste twee competenties. Een zekere mate van doorzettingskracht en resultaatgerichtheid. Tijssen: ‘Mensen ervaren mij wel eens als drammerig ja. Tegelijkertijd erkent men ook dat dit de doorbraak mogelijk maakt.’

Randvoorwaarden

Wat zijn de randvoorwaarden om te ontschotten? Wethouder sociaal domein Arno van Kempen: ‘We zijn andersom gaan redeneren, meer vanuit de ‘menselijke maat’. We kijken naar datgene wat de inwoner nodig heeft. Vervolgens kijken we hoe dat binnen de financieringsstromen past. Tot nu toe is dit altijd gelukt. Mocht het nodig zijn om hierbij de regels te overtreden, dan leg ik dat uit aan de gemeenteraad. Niet iedereen is het hiermee eens, het is geen reguliere gang van zaken. Maar bij veel mensen verbetert de aanpak de kwaliteit van leven en besparen we geld.’

Bestuurlijke rugdekking

Wenda Tijssen: ‘Deze houding van de wethouder is de bestuurlijke rugdekking die je nodig hebt. Hierbij valt of staat het slagen van de ontschotter. Zonder deze steun mis je het mandaat om echt een slag te maken. Het is dé randvoorwaarde voor het slagen van deze opdracht.’

Redeneren vanuit de cliënt

Ook is een kanteling in de werkwijze nodig (omdenken). Men is gewend te redeneren vanuit de mindset van regels. De nieuwe werkwijze daagt uit om nog meer te redeneren vanuit de cliënt. Wat is nou het allerbeste voor de cliënt?  Wachten, een normale route of juist zo snel mogelijk een aanvraag regelen zodat het niet escaleert?

Mond-tot-mond reclame

De ontschotter hoefde niet gepromoot te worden. Mond-tot-mond reclame deed zijn werk. Door kennis te maken met verschillende teams en organisaties begon het vanzelf te lopen. De laatste tijd bellen ze zelfs van buiten de betrokken gemeenten voor advies in omdenken.

Bron: De gemeenten Hillegom, Lisse en Teylingen (HLT).

Dit praktijkvoorbeeld is tot stand gebracht door: Arno van Kempen: Wethouder sociaal domein Teylingen, Ine van Holland: Domeinmanager sociaal domein HLT-gemeenten, Astrid ter Horst: coördinator bij MEE, Karel Jan Cebol: consulent bij MEE en Wenda Tijssen: Ontschotter Sociaal Domein HLT.

Advertenties

Kan het echt zo simpel?

eigen kracht.png

  • Vluchtruimte

De jeugdbeschermer was teleurgesteld: “Plannen die cliënten met hun netwerk maken, bevatten altijd wel elementen die ik zelf niet zou kunnen bedenken. Daarom vind ik het belangrijk dat mensen hun eigen plan maken, zonder mij erbij. Maar dit plan is zo vrijblijvend dat ik niet goed weet wat ik ermee moet.” Hij belde één van mijn collega’s om te overleggen. Het plan voldeed aan de voorwaarden die hij zelf vooraf had gesteld aan veiligheid. Hij zou het plan dus moeten goedkeuren, maar hij twijfelt.

Noodnummers
Stap voor stap nam mijn collega het plan met hem door. De voorwaarden zijn goed gedekt. Als de spanning in huis oploopt kan de oudste zoon naar de buren of naar vrienden verderop. Als die er niet zijn, zijn er drie nummers die hij kan bellen. Voor moeder zijn er twee noodnummers en een vriendin waar ze naar toe kan. Bezoek van de vriend van moeder zal niet meer plaatsvinden als de kinderen er zijn. “Er staat echter niets in over een weerbaarheids- of assertiviteitstraining voor moeder of therapie voor de kinderen,” zuchtte de jeugdbeschermer. “Ik heb veel informatie gegeven over mogelijkheden en het netwerk vond ook dat professionele hulp nodig was. In het plan staat er niets over. Dat kan toch nooit goed gaan?”

Evaluatie
De jeugdbeschermer snapte dat training of specifieke hulp zijn wensen zijn en niet direct over veiligheid gaan. “Toch blijf ik het gevoel houden dat hier meer nodig is.” Gelukkig staan in het plan aanknopingspunten om de vinger aan de pols te houden. De eerste drie maanden is er elke vier weken een evaluatiemoment met alle betrokkenen. “Daar kan ik aansluiten!”
 
Steviger
Deze week sprak mijn collega hem voor een nieuwe aanmelding. Hij begon er zelf over: “Weet je nog die conferentie van een paar maanden terug, waar ik zo van baalde? Het gaat boven verwachting. Doordat moeder en zoon allebei een vluchtroute hebben als het mis dreigt te gaan, gaat het niet meer mis. De steun van de mensen om hen heen, al is het alleen maar dat ze kunnen bellen of langs kunnen gaan, maakt dat ze allebei steviger in hun schoenen staan. Ik kan de voortgang goed in de gaten houden zonder dat ik hoef aan te dringen op oplossingen, want het gaat nu gewoon. Dat het zo simpel kon zijn, kon ik vlak na de conferentie echt niet geloven.” 

  • Bron: Eigen Kracht Centrale | Postbus 753 | 8000 AT Zwolle

De diagnose: klassiek autisme

 

Ik heb me altijd anders gevoeld dan anderen. Ik besefte pas rond mijn 7e a 8e levensjaar dat ik op de wereld was. Tot zover reikt mijn geheugen over mijn verleden. Dat was pas rond mijn 7e a 8e jaar. In mijn kinderjaren werd mij verteld door mijn familie dat ik tot mijn 5e doof was en dat de neusamandelen in de weg zaten. Verder had ik veel last van dauwwormeczeem. In Groningen ben ik behandeld waarvoor ik maandenlang daar in het ziekenhuis lag op een kinderafdeling. Ik heb 3 jaar over de kleuterschool gedaan en 2 jaar over de eerste klas van de basisschool. Daarna de gewone openbare basisschool, Leao en Meao zonder te blijven zitten gevolgd. Van de Leao en Meao heb ik ook diploma’s.

Op school werd ik veel gepest. Ik had zelf het idee dat ik echt mijn best deed om mee te kunnen doen en mij aan te passen. Maar op een of andere manier lukte het niet om echt contact met mijn klasgenoten te hebben. Als er voor gym of andere spelletjes kinderen mochten kiezen wie ze in hun team wilde hebben, kwam ik bijna altijd op de laatste plaats. Ik kon met gym moeilijk meekomen. Maar zwemmen en duursport, dat ging wel.

Ik werd in het verleden ook gezien als iemand met een verstandelijke beperking. Zo voelde ik mij ook. Ik was gewoon dom en hield dat ook lange tijd vast. Toch op school bleek ik wel aardige rapportcijfers te hebben. Alleen talen was voor mij wat lastiger. Ik ben schijnbaar lange tijd vrij kinderlijk overgekomen, zonder dat ik het zelf besefte. Ik heb soms een apart taalgebruik. Ik voelde me echt een buitenbeentje, zowel binnen mijn familie als in mijn omgeving. Ik deed vreselijk mijn best om mee te komen en goede contacten te krijgen. Maar op een of andere manier lukte dat niet echt. Een paar vage vriendinnen, waar ik me altijd voelde als het derde wiel aan de wagen.

Thuis ben ik streng opgevoed. Mijn ouders vonden mij juist erg verwend. Maar op zaterdag was ik het die de boodschappen deed, de tuin onderhield en als ik van de padvinderij terug kwam ook nog de rollers zette in moeders haar. Afwassen heb ik bijna nooit gehoeven. Omdat zij belangrijk vonden dat ik bleef leren en goed mijn huiswerk deed. Maar moeders wil is wet. Ziek zijn bestond niet, vooral het uitzieken was taboe.

Er zijn wel dingen gebeurd waarbij ik moeite heb gehad om het te verwerken. Ik schaamde me als buitenbeentje. Blijkbaar was dat niet zichtbaar. Net zoals vaker niet altijd zichtbaar was hoe ik mij voelde. Eigenlijk wist ik niet echt wie ik daadwerkelijk ben. Dat is pas later gekomen.

Ik ben rond mijn 21e het huis uitgegaan en op kamers gaan wonen. Zo in mijn eentje. Dat beviel me goed. Geen autoriteit buiten mijn werk, maar rust en stilte. Toch had ik een heel eenzaam gevoel, ondanks dat ik blij was dat ik het huis uit was.

Op een gegeven moment kwam ik in een moeilijke werksituatie terecht, ik had moeite om aan een baan te komen die geschikt voor mij was. Ik wist wel wat ik wilde, namelijk de accountancy. In ieder geval iets met cijfertjes. Dat lag me wel en ik was daar ook “goed” in.

Uiteindelijk geslaagd via een WSW-bedrijf waar ik administratie en postverwerking deed voor een districtskantoor van de Volleybalbond. Daarna op een bedrijfsbureau van hetzelfde WSW-bedrijf waar ik ook prima naar mijn zin had.

Begin jaren 80 ben ik een poos bij het maatschappelijk werk geweest voor diverse gesprekken. Daar bleek bij mij een flinke faalangst te zitten. Toen ging het een tijdje goed, maar daarna heb ik nog een paar keer een beroep gedaan op maatschappelijk werk.

Op een gegeven moment zo halverwege 2004 zag ik een advertentie van een GGZ (preventie): “In een dip en uit een dip”. Daar kreeg ik een intake, waaruit bleek dat ik aan deze cursus niet veel zou hebben. Ze hadden de indruk dat er een diepere oorzaak was van mijn klachten. Via GG-net heb ik toen cognitieve gedragstherapie gevolgd. Deze gesprekken heb ik gemiddeld om de 2 weken gehad. Dit heeft mij veel geholpen. Ik kreeg de diagnose persoonlijkheidsstoornis Noa.

Eind 2009 kwam ik weer in een belabberde werksituatie. Ik werd door de diverse reorganisaties geplaatst bij de groenvoorziening van het SW-bedrijf en andere productieafdelingen. Nou dat was ook niet alles. Ik liep er compleet vast in, ik deed het werk, omdat ik dacht dat ik gewoon blij moet zijn dat ik werk heb. In die periode begon de werkloosheid ook te groeien. Weer in 2010 naar de GGZ-instelling en kwam terecht bij een GGZ-psychologe. Via haar en in overleg met een psychiater heb ik toen testen gedaan. Hieruit kwam de diagnose kernautisme met normale intelligentie. Mede dankzij een rapport van het ziekenhuis te Groningen die ik via mijn nieuwe huisarts boven water heb gekregen.

Voor mij vielen heel veel stukjes in elkaar en ik kon nu eindelijk inzien, waarom ik mij zo’n buitenbeentje heb gevoeld en regelmatig vergat wie ik daadwerkelijk ben. Ik heb me door de diverse therapieën eindelijk kunnen ontplooien, omdat ik weet dat ik ook mijn kwaliteiten heb. De laatste jaren heb ik ook veel gelezen over psychiatrische handicaps, waaronder autisme, maar ook over Hoog Sensitieve Persoon. In beide kan ik mezelf ook een hoop in terugvinden.

Eigenlijk heb ik geen echt verwerkingsproces gehad. Ik kon namelijk gelijk accepteren dat ik deze stempel heb gekregen. Alleen heb ik wel moeite met het stigma die hierop rust. Ondanks dat het tegenwoordig wel beter wordt omdat het meer geaccepteerd wordt.

Ik vind het jammer dat ik pas op 52-jarige leeftijd een goede diagnose heb gekregen. Nu heb ik ook meer mogelijkheden om in aanmerking te komen voor bepaalde zorg.

Persoonlijk vind ik dat ik me nu heel goed red, erg actief ben en ook initiatieven kan nemen. Helaas kan mijn familie mijn diagnose niet erkennen. Ik heb meer afstand van hun genomen, maar laat de deur op een kier. Ik heb nu mensen om mij heen waar ik een hele goede omgang mee heb. Tuurlijk loop ik weleens tegen dingen aan. Hierover hoop ik een volgende keer meer te vertellen.

Rianne