Natuurlijk dichtbij

  • Nieuwe dagbesteding in Vlijmen zorgt voor verbinding

9 aanbieders in de sector zorg en welzijn in Vlijmen hebben een informele dagbesteding opgezet in de centraal in de gemeente gelegen sporthal. Iedereen is er welkom om binnen te lopen en wijkverpleegkundigen zien hoe goed het mensen doet als ze van die mogelijkheid gebruikmaken. De verwachting is dat door dit initiatief op termijn mensen minder snel op basis van een indicatie naar het bestaande aanbod voor dagbesteding hoeven.

Jan van der Lee, net 70 geworden, woont al zijn hele leven in Vlijmen. Na zijn pensioen ging hij gebruikmaken van dagbesteding in Den Bosch, maar daar moest hij na verloop van tijd weg toen de gemeente Heusden niet langer een contract had met de Bossche aanbieder. Een zorgboerderij in Giesbergen bood uitkomst. ‘Mijn vader was jager en nam mij vaak mee’, vertelt hij, ‘ik voelde me wel thuis in die omgeving. Maar ik zag wel dat de mensen van de zorgboerderij voor mij maar weinig hoefden te doen. Veel andere bewoners waren licht dementerend en hadden veel meer zorg nodig. Ik mocht zo iemand niet eens meenemen als ik een eindje ging lopen, en dat doe ik graag. Dus ging ik eens kijken bij het sportcentrum in Vlijmen, want ik hoorde dat daar een nieuwe dagbesteding was opgezet. En die bevalt me prima. Het is dichtbij waar ik woon en die zorgboerderij werd bovendien door de eigen bijdrage ook wel erg duur voor me. Hier betaal ik 5 euro per dag en daarvoor krijg ik ’s middags een warme maaltijd en alle koffie of thee die ik wil.’

9 organisaties

Dat die nieuwe voorziening voor dagbesteding er is gekomen in Vlijmen, heeft te maken met de substitutie van taken naar de gemeenten per 1 januari 2015. ‘De gemeente Heusden – waaronder Vlijmen bestuurlijk valt – wilde niet alleen bezuinigen op de uitgaven voor dagbesteding, maar had ook de visie dat het mogelijk moest zijn om de participatie voor de doelgroepen voor de dagbesteding te vergroten’, zegt Nicole Hendriks. Zij is projectleider van het In voor zorg-project “Cirkels van het gewone leven” en betrokken bij het opzetten van een alternatieve dagvoorziening voor inwoners in Vlijmen een onderdeel vormt.

Hierbij zijn negen organisaties betrokken: Contour de Twern, Thebe, RIBW Brabant, Prisma, Schakelring, Modus, MEE, Juvans en de GGD. Een aantal daarvan biedt al dagbesteding voor hun diverse doelgroepen en het is ook de bedoeling dat die blijft bestaan voor mensen die daarvoor een indicatie krijgen. ‘Maar er zijn ook genoeg mensen zonder indicatie die toch behoefte hebben aan verbinding in hun eigen woonomgeving’, zegt Hendriks. ‘Daarom wilden we die los van de 9 organisaties opzetten, zo natuurlijk, dichtbij en laagdrempelig mogelijk.’

De burger centraal

Het mooie is dat die 9 organisaties geen van alle hun stempel drukken op het nieuwe initiatief, maar wel allemaal vanuit hun eigen discipline kennis inbrengen, stelt Marieke Kouwenberg, wijkverpleegkundige bij Thebe. ‘Soms komen 2 van die 9 partijen bij één cliënt zonder dit van elkaar te weten’, zegt ze, ‘daaraan kunnen we nu wat doen. Niet door elkaar te beconcurreren, maar door de burger centraal te stellen.’

Zo’n samenwerking begint met kennismaking. ‘Gewoon bij elkaar gaan zitten met zijn negenen en gaan brainstormen’, zegt Kouwenberg. ‘Voor Thebe werd de voorliggende vraag meteen heel concreet omdat een van de locaties voor dagbesteding, voor senioren met een indicatie hiervoor, dicht moest.’

Hendriks zocht contact met de manager van zwembad en sportcentrum De Heygraven dat midden in Vlijmen ligt. ‘We hadden meteen een klik want hij had dezelfde visie als wij: een laagdrempelige voorziening bieden voor iedereen in de wijk. Hij had bijvoorbeeld al aan een vrouw in de buurt, die thuis niet kon douchen, aangeboden: kom dat dan hier doen, alle voorzieningen zijn er. Het gebouw heeft zoveel faciliteiten. Er zijn geen drempels, er is een invalidentoilet en een keuken en het had al een buurtfunctie voor schoolzwemmen, sportclubs en zwemmen voor mensen met kanker. Precies het soort voorziening dat we zochten voor alle gemeenten die onder de vlag van Heusden vallen.’

Gezellig en laagdrempelig

Zo waren de mensen van die dagvoorziening van Thebe die ging sluiten weer verzekerd van een plek. ‘Een paar van hen tenminste’, zegt medewerker Marie-Therese Elshout van Thebe, die de verantwoordelijkheid voor deze locatie heeft. ‘Sommigen hadden teveel zorg nodig om van deze voorziening gebruik te kunnen maken. En in sommige gevallen hadden familieleden al een ander alternatief gevonden omdat ze de continuïteit van de dagvoorziening voor hun naaste wilden veiligstellen. Maar degenen die wel overgingen naar hier, waren meteen enthousiast. Zelfs de oudste, 95 nu, zei meteen: “Wat is het hier gezellig hè”. Begrijpelijk, want het is hier echt laagdrempeliger. Inmiddels maken we al mee dat iemand gewoon binnenloopt met: “Ik heb gehoord dat dit er is, ik kom eens kijken”. Precies zoals het bedoeld is.’

Maar: het ging om meer mensen dan alleen die enkelen van die dagvoorziening van Thebe die dichtging. In de plannen was een brede doelgroep geformuleerd: iedereen die behoefte heeft aan dagbesteding, met uitzondering van mensen die niet zelfredzaam zijn en dus een indicatie krijgen voor formele dagbesteding. ‘Het groeide wel al snel maar de start had toch een beetje een trend gezet: ouderen brengen ouderen mee’, zegt Kouwenberg. Hendriks vult aan: ‘Nu zijn we aan het kijken of de mensen met een verstandelijke beperking voor wie nu dagbesteding in Waalwijk bestaat niet net zo goed hier naartoe kunnen. Door ze patronen aan te leren, kunnen ze een bijdragen leveren zoals koffie serveren of helpen met de lunch.’

Zorgen voor bekendheid

Ook op andere fronten worden stappen gezet om meer mensen naar de nieuwe dagbesteding te leiden. Door de praktijkondersteuners in de huisartspraktijken te informeren over het bestaan ervan bijvoorbeeld. Want zoals Kouwenberg het zegt: ‘Als je de praktijkondersteuners mee hebt, heb je de huisartsen ook. Verder zijn we in gesprek met de aanbieders van het Thomashuis, een setting voor mensen met een verstandelijke beperking, in Nieuwkuijk. Tegelijkertijd willen we het ook een beetje natuurlijk laten ontstaan. We zien inmiddels dat al meerdere mensen spontaan komen binnenlopen. Ook beginnen zich vrijwilligers te melden. Al vraag ik mij af of in dit verband het woord vrijwilligers op zijn plaats is. Ook dit zijn mensen die een zinvolle dagbesteding zoeken, iedereen die hier binnenloopt komt iets halen en brengen.’

De 3 verwachten dat gaandeweg ook meer contacten binnen de locatie zelf zullen ontstaan, al gaat dat nog niet altijd spontaan. Elshout vertelt: ‘Het is nog niet altijd makkelijk om mensen mee te krijgen. Ik heb aan mensen van een sportvereniging die hier komt al eens gevraagd of onze bezoekers eens mogen komen mee sporten. Maar dat blijkt dan toch nog moeilijk te liggen. “Onze sporters kennen elkaar”, krijg ik dan te horen. Ik wil dat wel een keer voor elkaar brengen, maar je moet dat tijd gunnen.’ Je moet het niet forceren, vindt Kouwenberg ook. ‘Uiteindelijk zien mensen de meerwaarde wel’, zegt ze. ‘Het is gezelliger hier dan in een kleedkamer denk ik.’

Groeiproces

Maar tegelijkertijd is het geen doel op zich om vanuit alle 9 aan het project deelnemende organisaties mensen binnen te krijgen. ‘We nemen het in ons werk mee als mogelijkheid’, zegt Henriks. ‘De boodschap is: “Kom gewoon eens kijken”. Het is een groeiproces en misschien is er op bepaalde fronten nog wel een gevoelsmatige drempel op dit moment. Bijvoorbeeld om te accepteren dat ook mensen met een verstandelijke beperking hier komen voor hun dagbesteding.’

Elshout vult aan: ‘Vaak blijkt die drempelvrees onnodig, ik merk dat ook aan mezelf. Een tijdje geleden kregen we hier voor het eerst een blinde vrouw op bezoek. Ik had nog nooit met blinden gewerkt dus vond dat onwennig. Maar het ging vanaf het begin goed, het ligt eraan hoe je er als begeleider in staat. Ik voelde me veilig door de betrokkenheid van de 9 organisaties, je weet wie je kunt bellen als het nodig is.’

Kouwenberg zegt wel dat de groei van het aantal mensen dat de nieuwe locatie weet te vinden uiteindelijk gevolgen zal hebben voor de bestaande aanbieders van dagbesteding. ‘Die aanbieders proberen natuurlijk ook mensen binnen te krijgen, daar zijn ze financieel afhankelijk van’, zegt ze. ‘In dat licht kan ik mij voorstellen dat ze ons als concurrent zien, maar dat zijn we natuurlijk niet. Er is zoveel behoefte aan dagbesteding dat er voldoende ruimte is voor alle partijen. Wel denk ik dat op termijn alleen nog mensen met een hogere zorgzwaarte bij de formele aanbieders terecht zullen komen, niet meer de mensen met een sociale indicatie. Dat is ook hoe het beleid bedoeld is. Je ziet ook dat het gaandeweg beter gaat met de mensen die hier komen. Ik merk dat ook als ik bij ze thuis kom. Ze hebben minder zorg nodig, ze worden geprikkeld.’

  • Interview door Frank van Wijck
Advertenties

De diagnose: klassiek autisme

 

Ik heb me altijd anders gevoeld dan anderen. Ik besefte pas rond mijn 7e a 8e levensjaar dat ik op de wereld was. Tot zover reikt mijn geheugen over mijn verleden. Dat was pas rond mijn 7e a 8e jaar. In mijn kinderjaren werd mij verteld door mijn familie dat ik tot mijn 5e doof was en dat de neusamandelen in de weg zaten. Verder had ik veel last van dauwwormeczeem. In Groningen ben ik behandeld waarvoor ik maandenlang daar in het ziekenhuis lag op een kinderafdeling. Ik heb 3 jaar over de kleuterschool gedaan en 2 jaar over de eerste klas van de basisschool. Daarna de gewone openbare basisschool, Leao en Meao zonder te blijven zitten gevolgd. Van de Leao en Meao heb ik ook diploma’s.

Op school werd ik veel gepest. Ik had zelf het idee dat ik echt mijn best deed om mee te kunnen doen en mij aan te passen. Maar op een of andere manier lukte het niet om echt contact met mijn klasgenoten te hebben. Als er voor gym of andere spelletjes kinderen mochten kiezen wie ze in hun team wilde hebben, kwam ik bijna altijd op de laatste plaats. Ik kon met gym moeilijk meekomen. Maar zwemmen en duursport, dat ging wel.

Ik werd in het verleden ook gezien als iemand met een verstandelijke beperking. Zo voelde ik mij ook. Ik was gewoon dom en hield dat ook lange tijd vast. Toch op school bleek ik wel aardige rapportcijfers te hebben. Alleen talen was voor mij wat lastiger. Ik ben schijnbaar lange tijd vrij kinderlijk overgekomen, zonder dat ik het zelf besefte. Ik heb soms een apart taalgebruik. Ik voelde me echt een buitenbeentje, zowel binnen mijn familie als in mijn omgeving. Ik deed vreselijk mijn best om mee te komen en goede contacten te krijgen. Maar op een of andere manier lukte dat niet echt. Een paar vage vriendinnen, waar ik me altijd voelde als het derde wiel aan de wagen.

Thuis ben ik streng opgevoed. Mijn ouders vonden mij juist erg verwend. Maar op zaterdag was ik het die de boodschappen deed, de tuin onderhield en als ik van de padvinderij terug kwam ook nog de rollers zette in moeders haar. Afwassen heb ik bijna nooit gehoeven. Omdat zij belangrijk vonden dat ik bleef leren en goed mijn huiswerk deed. Maar moeders wil is wet. Ziek zijn bestond niet, vooral het uitzieken was taboe.

Er zijn wel dingen gebeurd waarbij ik moeite heb gehad om het te verwerken. Ik schaamde me als buitenbeentje. Blijkbaar was dat niet zichtbaar. Net zoals vaker niet altijd zichtbaar was hoe ik mij voelde. Eigenlijk wist ik niet echt wie ik daadwerkelijk ben. Dat is pas later gekomen.

Ik ben rond mijn 21e het huis uitgegaan en op kamers gaan wonen. Zo in mijn eentje. Dat beviel me goed. Geen autoriteit buiten mijn werk, maar rust en stilte. Toch had ik een heel eenzaam gevoel, ondanks dat ik blij was dat ik het huis uit was.

Op een gegeven moment kwam ik in een moeilijke werksituatie terecht, ik had moeite om aan een baan te komen die geschikt voor mij was. Ik wist wel wat ik wilde, namelijk de accountancy. In ieder geval iets met cijfertjes. Dat lag me wel en ik was daar ook “goed” in.

Uiteindelijk geslaagd via een WSW-bedrijf waar ik administratie en postverwerking deed voor een districtskantoor van de Volleybalbond. Daarna op een bedrijfsbureau van hetzelfde WSW-bedrijf waar ik ook prima naar mijn zin had.

Begin jaren 80 ben ik een poos bij het maatschappelijk werk geweest voor diverse gesprekken. Daar bleek bij mij een flinke faalangst te zitten. Toen ging het een tijdje goed, maar daarna heb ik nog een paar keer een beroep gedaan op maatschappelijk werk.

Op een gegeven moment zo halverwege 2004 zag ik een advertentie van een GGZ (preventie): “In een dip en uit een dip”. Daar kreeg ik een intake, waaruit bleek dat ik aan deze cursus niet veel zou hebben. Ze hadden de indruk dat er een diepere oorzaak was van mijn klachten. Via GG-net heb ik toen cognitieve gedragstherapie gevolgd. Deze gesprekken heb ik gemiddeld om de 2 weken gehad. Dit heeft mij veel geholpen. Ik kreeg de diagnose persoonlijkheidsstoornis Noa.

Eind 2009 kwam ik weer in een belabberde werksituatie. Ik werd door de diverse reorganisaties geplaatst bij de groenvoorziening van het SW-bedrijf en andere productieafdelingen. Nou dat was ook niet alles. Ik liep er compleet vast in, ik deed het werk, omdat ik dacht dat ik gewoon blij moet zijn dat ik werk heb. In die periode begon de werkloosheid ook te groeien. Weer in 2010 naar de GGZ-instelling en kwam terecht bij een GGZ-psychologe. Via haar en in overleg met een psychiater heb ik toen testen gedaan. Hieruit kwam de diagnose kernautisme met normale intelligentie. Mede dankzij een rapport van het ziekenhuis te Groningen die ik via mijn nieuwe huisarts boven water heb gekregen.

Voor mij vielen heel veel stukjes in elkaar en ik kon nu eindelijk inzien, waarom ik mij zo’n buitenbeentje heb gevoeld en regelmatig vergat wie ik daadwerkelijk ben. Ik heb me door de diverse therapieën eindelijk kunnen ontplooien, omdat ik weet dat ik ook mijn kwaliteiten heb. De laatste jaren heb ik ook veel gelezen over psychiatrische handicaps, waaronder autisme, maar ook over Hoog Sensitieve Persoon. In beide kan ik mezelf ook een hoop in terugvinden.

Eigenlijk heb ik geen echt verwerkingsproces gehad. Ik kon namelijk gelijk accepteren dat ik deze stempel heb gekregen. Alleen heb ik wel moeite met het stigma die hierop rust. Ondanks dat het tegenwoordig wel beter wordt omdat het meer geaccepteerd wordt.

Ik vind het jammer dat ik pas op 52-jarige leeftijd een goede diagnose heb gekregen. Nu heb ik ook meer mogelijkheden om in aanmerking te komen voor bepaalde zorg.

Persoonlijk vind ik dat ik me nu heel goed red, erg actief ben en ook initiatieven kan nemen. Helaas kan mijn familie mijn diagnose niet erkennen. Ik heb meer afstand van hun genomen, maar laat de deur op een kier. Ik heb nu mensen om mij heen waar ik een hele goede omgang mee heb. Tuurlijk loop ik weleens tegen dingen aan. Hierover hoop ik een volgende keer meer te vertellen.

Rianne

De omgekeerde toets

Er komt een man aan het loket met een probleem. Je wilt hem graag helpen maar je bent gebonden aan de wet. Het strikt naleven van die wet zou de man echter alleen maar verder in de problemen brengen. Wat kun je in zo’n geval nu het beste doen? De omgekeerde toets helpt!

Integraal werken

De omgekeerde toets is gebaseerd op een heel andere manier van kijken. Een manier die eigenlijk zo vanzelfsprekend is dat je, als je het principe eenmaal doorhebt, denkt: ‘logisch, zo moet het! Zo is de wet bedoeld!’ Een methode ook die een nieuwe betekenis aan het  begrip integraal werken geeft. Want met de omgekeerde toets kies je uit een palet van wettelijke mogelijkheden, dwars door alle domeinen heen, en met maar één doel voor ogen: jouw klant zo goed mogelijk helpen.

Het principe

Het principe van de omgekeerde toets is feitelijk heel eenvoudig. Voor gemeenten vormen wetten als de Participatiewet, de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening het uitgangspunt voor besluiten. Maar wat als je de zaak nu eens omkeert?

Begin niet bij de letter van de wet, maar bij het doel van de wet. Denk eens mee met de burger over het effect dat hij wil bereiken en kijkt of dit past binnen de doelstelling van de wetten van het sociaal domein. Kijk vervolgens welke wettelijke instrumenten er zijn om dit doel met en voor de burger te realiseren. Daarbij biedt de wet vaak meer mogelijkheden dan wij denken. Als je maar weet aan welke ‘knoppen’ je moet draaien om het gewenste effect te krijgen.

In vier stappen kom je bij een oplossing die werkt!

Het gewenste effect in vier stappen

stap 1: het effect

De eerste vraag die je stelt, is welk effect wil ik bereiken met de burger? Of nog beter: welk effect wil de burger bereiken? Denk met de betrokkene mee over wat hij wil bereiken en leg de afspraken die je gezamenlijk maakt vast, bijvoorbeeld in een plan van aanpak.

stap 2: de grondwaarde

De tweede vraag die je stelt is of het beoogde effect valt onder de grondwaarde van de wet. Met ‘grondwaarde’ bedoelen we de reden dat de wet is geschreven. De artikelen uit die wet zijn de instrumenten waarmee dat doel bereikt kan worden in plaats van een doel op zichzelf! De grondwaarden staan in het schema.

stap 3: is het besluit ethisch te verantwoorden?

De gemaakte afspraken leiden tot een formeel besluit. Bij deze stap wordt de vraag gesteld wat het effect is van het voorgenomen besluit:

  • uitwerking op persoon, gezin en omgeving (wat betekent het gewenste effect voor hen?)
  • mogelijkheden en vaardigheden (wat kan betrokkene?)
  • zuiver in bedoeling (spelen onze eigen normen en waarden een rol?)

stap 4: randvoorwaarden

Bij de laatste stap wordt een formeel besluit genomen op basis van de gemaakte afspraken. Daarvoor is een set instrumenten beschikbaar (lees: wetsartikelen), met:

  • ‘knoppen’ die toegang bieden tot een bepaalde ondersteuning of de toegang juist afsluiten;
  • ‘knoppen’ waaraan gedraaid kan worden om meer of minder ondersteuning te bieden en de afspraken die gemeente en burger maken vast te stellen;
  • een paar basisprincipes die in beton gegoten zijn. Daar is geen afwijking mogelijk.

Afbeelding1 schema

Bart: wanbetaler zorgverzekering

Bart en zijn vrouw Chantal raken beiden hun baan kwijt. Ze verkopen hun huis met een forse restschuld en huren een sociale huurwoning. Uiteindelijk lukt het Chantal als eerste om een nieuwe baan te vinden. Bart kan hier moeilijk mee omgaan en in 2014 verlaat Chantal met beide kinderen de woning. Bart raakt in een diepe depressie, raakt aan de drank en gaat gokken. Daardoor ontstaan er achterstanden in de betaling van de vaste lasten zodat een huisuitzetting onafwendbaar lijkt. Omwille van de kinderen besluit Bart zich te herpakken en meldt hij zich bij het wijkteam. Samen met Bart stelt de wijkcoach een plan op. Uitkeringen en toeslagen worden op orde gebracht, betalingsregelingen worden afgesproken, de stadsbank neemt de schuldsanering ter hand. Bart wordt aangemeld voor een zorgtraject bij een verslavingskliniek en hij begint aan een re-integratietraject. Het vinden van een baan blijkt echter problematisch vanwege zijn drankgebruik. Omdat hij als wanbetaler te boek staat is de aanvullende zorgverzekering beëindigd. En vanuit de basisverzekering krijgt hij geen tandartskosten vergoed.

Oplossing omgekeerde toets

  1. Het effect

We willen bereiken dat Bart een baan vindt en uit de bijstand stroomt. Ook moet hij weer zijn eigen financiën gaan organiseren.

  1. Grondwaarden van de wet

Eén van de grondwaarden van de Participatiewet is het bevorderen van zelfredzaamheid, bij voorkeur via betaald werk.

  1. Ethische aspecten

Het slechte gebit houdt de werkloosheid in stand. Dat is slecht voor zijn eigenwaarde, maar ook voor de gemeentelijke budgetten. Zo doet Bart langer een beroep op bijstand en dat kost veel geld.

Randvoorwaarden

Je kunt ervoor kiezen om dit te betalen vanuit de re-integratiegelden. Het is noodzakelijk om het traject tot een goed einde te brengen. Je kunt dit ook betalen vanuit de bijzondere bijstand. Dat mag niet standaard, maar als sprake is van een bijzondere situatie dan kan het wel. Als goed wordt gemotiveerd dan is er geen reden voor de accountant om de betaling af te keuren. Ook voor schulden mag – als sprake is van dringende redenen – bijstand worden betaald. Je kunt als gemeente in beleidsregels opnemen wat je daaronder verstaat. De CRvB geeft de buitenste grenzen aan (wat is in ieder geval een dringende reden), maar als gemeente kun je daar prima je eigen kleur aan geven. De accountant toets op de gemeentelijke beleidsregel zolang die redelijk is.

Op eigen benen staan

  • Van schaarste overvloed maken

Gemeenten zijn de eerste financiers van zorg die de mogelijkheid hebben om een breder palet aan ondersteuning aan te bieden dan alleen zorg.  Als alle energie gestoken zou worden in het organiseren van echt integrale oplossingen voor problematiek van mensen, dan zal blijken dat er eerder een overschot dan tekort is aan zorgmiddelen.

We plakken te vaak pleisters door het inzetten van zorg in plaats van te zoeken naar fundamentele oplossingen. Vaak blijkt dat wij het als gemeenschap (gemeenten, zorgorganisaties, inwoners) moeilijk vinden om integraal te denken, te organiseren en te handelen. Want dat betekent dat we ongelijke gevallen misschien wel ongelijk gaan behandelen.

Als het gaat om maatwerkroutes op het gebied van inkomensvoorzieningen, toeleiding naar werk of andere voorzieningen, dan vinden we dat vaak ongepast of oneerlijk. Maar wanneer het gaat om de inzet van zorg  dan vinden we deze variatie wel acceptabel. Een voorbeeld.

Bram is 19 jaar en heeft zijn jeugd met zeer beperkt netwerk in een gezinshuis doorgebracht. Hij moet daar nu weg. Bram heeft psychische klachten, heeft geen inkomen en er is geen woning beschikbaar. De gemeente geeft een lichte indicatie beschermd wonen af.  De kosten voor een Beschermd Wonen indicatie kost een gemeente per jaar 39.000 euro. Wanneer een gemeente goede afspraken met de woningcorporatie maakt, zou een studio voor Bram 4.800 euro per jaar gekost hebben. Met inzet van de gemeente (bureau Leerplicht) en met behulp van lichte begeleiding zouden afspraken gemaakt kunnen worden over het behalen van een startkwalificatie en zou Bram begeleid kunnen worden naar werk. De kosten hiervan zijn nog geen 20.000 euro per jaar (inclusief een tijdelijk inkomen/uitkering). In het eerste jaar zou al 14.000 euro bespaard worden. Zodra Bram werk heeft, worden de kosten nog lager. Maar belangrijker dan dat; Bram zou zijn leven aan het inrichten en opbouwen zijn. Hij zou werken aan zijn zelfredzaamheid. Met het bieden van een plek in beschermd wonen wordt weliswaar zijn zorgcontinuïteit gewaarborgd maar niet aan de behoefte voldaan van een jonge vent van 19 jaar die aan het begin staat van zijn zelfstandige leven.

Wat uiteindelijk telt, is maatschappelijk resultaat: daar bevindt zich de overvloed. Als we ons richten op het faciliteren en de ruimte geven aan integraal denken, organiseren,  handelen en rekenen, dan gaan we van schaarste naar overvloed.  Wanneer we er dan ook voor zorgen dat gemeenteraad en inwoners een prominentere plek aan tafel krijgen dan zal de transformatie pas echt een impuls krijgen. Inwoners zullen dan ook niet meer het gevoel hebben dat hen een recht ontnomen is, maar dat de decentralisaties naar de gemeenten hen iets brengt; meer maatwerk en meer mogelijkheden om zelf inspraak te hebben wanneer zij een steun in de rug nodig hebben. Uiteindelijk is dat immers wat telt: het maatschappelijk resultaat voor lokale gemeenschappen.

  • Bron: bewerking van column Bianca den Outer | 6 juni 2017

Miscommunicatie en onbegrip

Annika van de Werf is afgelopen maand 77 jaar geworden. Ondanks haar mentale scherpte heeft ze, mede gezien haar leeftijd, enige fysieke mankementen. Ze woont zo zelfstandig mogelijk in een rijtjeshuis aan de rand van het dorp. Aangezien ze moeilijk loopt maakt zij gebruik van een vanuit de gemeente verschafte scootmobiel om mobiel te blijven, bijvoorbeeld om zo nu en dan met enige hulp boodschappen te doen bij de nabijgelegen supermarkt. Hiernaast ontvangt zij hulp in het huishouden. Twee dagen in de week heeft zij individuele begeleiding.

Daan van Straten, gemeente ambtenaar, gaat bij haar langs om haar in te lichten over de veranderingen naar aanleiding van de decentralisaties. Nadat ze op de stoel bij haar keukentafel zijn neergestreken en over het nieuws van de dag hebben gepraat begint hij over de veranderingen die de decentralisaties betekenen. Hij vertelt over de veranderingen in de AWBZ en kort over de jeugdzorg en de participatiewet.

Mevrouw Van de Werf hoort het met lede ogen aan. “Ik snap het niet helemaal, maar dat is ook niet belangrijk. Ik krijg al jaren goede zorg, die heb ik nodig omdat ik niet goed meer kan lopen, en daar ben ik heel tevreden mee.”

Daan wil nu de veranderingen op haar betrekken. “De veranderingen betekenen ook iets voor u, mevrouw Van de Werf.” Hij vertelt haar meteen eerlijk dat de kans realistisch is dat de gemeente de twee dagen individuele begeleiding in de toekomst niet meer zal betalen. “We kijken nu veel meer naar de eigen kracht van mensen en hun netwerk”. “Ik snap het niet, ik heb hier jaren recht op gehad, ik heb hier middels jarenlange arbeid aan bijgedragen.” Ze praat door.

Daan probeert haar te onderbreken door meer duidelijkheid te verschaffen, maar hij komt niet meer door haar barricade heen.

  • Bron: Andersson Elffers Felix | Casusbladen Interactie overheid – burger in het sociaal domein | 2015

Een tent heeft geen drempel

 

  • Het verhaal van Nelly

Ik vind ons dorp prachtig. Het was zelfs het mooiste dorp van de provincie vorig jaar. Verder vind ik het een  leuk  dorp,  waar  veel  te  beleven is.  Stel  je  wilt  hier  als  vrijwilliger  bij  de  speeltuin  werken,  dan  kun  je bijvoorbeeld  in  de  spelweek  deelnemen.  Verder  is  er  een muziekvereniging,  een  gymvereniging,  een kerkkoor, een toneelclub en een bejaardensoos. Er is ook een open eettafel, iedere dinsdag van de maand.

Bij  die  clubjes  hoor  je  vanzelf  wat  er  in  het  dorp  gaande  is.  Bijvoorbeeld,  ik  hoorde  gisteravond  dat  er iemand was benaderd door een stichting voor cultuur en kunst. Daar is de gemeente mee bezig omdat het Rijk aardig de duim op de knip houdt en ze die kleine dorpen toch levendig willen houden. Vanuit de clubjes kunnen we soms met anderen wat betekenen voor het dorp.

Het dorp is aan het veranderen. De laatste jaren zijn er veel nieuwkomers in het dorp gekomen. Vaak zijn die  mensen  niet  meteen  op  de  hoogte  wat  er  eigenlijk  speelt.  Toen  hebben  we  gezegd,  laten  we  een stratencompetitie doen om onderling kennis te maken. Dan zitten oud en nieuw gemixt.

Tot nu toe is dat aardig gelukt, we mogen niet mopperen. Kennis maken en contact maken, dat gebeurt niet vanzelf. Zeker als mensen geen kinderen hebben. Als je kinderen hebt, dan gaan ze naar school en staan ouders aan het hek om de kinderen te halen. Dan komt  er wel een gesprekje en later komen ze elkaar weer eens tegen bij de supermarkt. Dat helpt. De supermarkt is zoals mijn man zegt, net een bruin café.  Dan zien ze elkaar weer en zeggen ze: ‘Joh, doe ook een keer mee, dat is toch hartstikke leuk’. In eerste instantie reageren ze  dan  vaak  aarzelend,  maar  als  de  kinderen  meedoen,  groeit dat  een  beetje.  Er  zijn  er  altijd  die  niet meedoen, maar dat hou je toch.

Op sommige gelegenheden hebben we met de vereniging een grote tent. Die hebben we gekregen van de middenstand en  die is in beheer van de speeltuin. Daar wordt een biertje getapt,  dan kunnen we gezellig en lekker bij elkaar zitten. Ik zeg weleens “een tent heeft geen drempel”. Als je tegen de mensen zegt dat het in het dorpshuis is, dan is die drempel groter. Ze moeten naar binnen om iets te beleven. Ze voelen zich  verplicht  om  een kop  koffie,  biertje  of  glaasje  fris  te  pakken.  Wanneer  datzelfde  in  de  tent  gebeurt zeggen ze ‘we gaan eens even kijken hoor.’ En ze lopen erin en ze lopen eruit en ze voelen zich niet verplicht om dit of dat te nemen.