Wie wil betekenen

baby

Wat zijn de dagelijkse dilemma’s uit de praktijk? Met verhalen uit de praktijk geven professionals van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond een inkijkje in het ingrijpende werk van een jeugdbeschermer. Hieronder  het verhaal van Kevin.

Mijn jongste cliënt is Tamara. Tamara is zeven maanden jong en met ernstig letsel in het ziekenhuis opgenomen. Het verhaal dat haar ouders vertellen over wat er met haar is gebeurd, komt volgens artsen niet overeen met de verwondingen van Tamara. Het ziekenhuis denkt dat de ouders iets te maken hebben met het letsel. Haar ouders blijven dit ontkennen. De precieze toedracht zal waarschijnlijk nooit duidelijk worden.

In het belang van Tamara denken wij dat het beter voor haar is om tijdelijk even ergens anders te gaan wonen. Na haar ziekenhuisopname hebben we Tamara daarom in een pleeggezin geplaatst. Daar verblijft zij nu nog steeds. Er zijn afspraken gemaakt over de momenten waarop er contact is tussen Tamara en haar ouders. Tijdens deze contactmomenten hebben we gekeken naar het contact tussen ouders en Tamara. Daaruit is niet gebleken dat Tamara niet terug naar haar ouders zou kunnen.

Op dit moment ben ik onderweg naar de ouders van Tamara om met hen te bespreken wat nodig is om Tamara terug naar huis te laten komen. Het allerbelangrijkste is dat het thuis veilig is voor haar. Als ik bij het huis aankom en aanbel, doet moeder de deur open. Moeder maakt een nerveuze indruk. Achter haar aan loop ik de woning binnen naar de woonkamer. Vader zit aan tafel. Hij geeft mij een hand. Ook op zijn gezicht zie ik de spanning. Ik weet hoe graag de ouders willen dat Tamara weer naar huis komt. Ik bespreek met de ouders dat ik vandaag met hen in kaart wil brengen wie het allemaal belangrijk vinden dat het goed gaat met Tamara, want als Tamara straks naar huis komt, willen we zeker weten dat ze veilig is. Dat ze niet opnieuw letsel zal oplopen. Hoe meer mensen uit het netwerk betrokken zijn en weten wat er speelt, hoe veiliger het zal zijn voor Tamara.

Daarom ga ik vandaag samen met de ouders het netwerk van de ouders van Tamara in beeld brengen.  De ouders kijken elkaar aan, waarna moeder het woord neemt. Moeder geeft aan dat zij niemand hebben. Ik laat me niet ontmoedigen door wat moeder zegt. Het komt vaker voor dat ouders zeggen dat er geen netwerk is. Ik leg ouders uit dat ik, ondanks de woorden van moeder, toch graag met hen hier verder over in gesprek wil.

Uit ervaring weet ik, dat er altijd wel iemand is. Dat het vaak toch mogelijk is om iemand van wie je op voorhand denkt dat die niet betrokken wil worden, toch te betrekken. Ouders gaan schoorvoetend akkoord. Ik leg een vel papier midden op tafel waarop ik de naam van Tamara zet en die van haar vader en moeder. Ik vraag aan vader wie zijn ouders zijn en of hij broers of zussen heeft. Vader noemt de namen van zijn ouders. Ik schrijf de namen op terwijl vader vertelt dat hij ook een zus heeft. Vader zegt er meteen achter aan dat hij al heel lang geen contact meer heeft met zijn zus vanwege een ruzie jaren geleden. Aan moeder stel ik dezelfde vragen. Ook vraag ik ouders of zij contact hebben met mensen buiten hun familie. Bijvoorbeeld met de buren, iemand van de sportclub of met iemand uit hun kerk. Ik vraag aan ouders wie er weten dat Tamara in het ziekenhuis heeft gelegen en op dit moment in een pleeggezin verblijft.

Ondanks het feit dat ouders aangaven dat zij niemand hadden, staan er nu verschillende namen op het vel papier dat voor ons op tafel ligt. Namen van mensen die mogelijk iets zouden kunnen betekenen op het moment dat Tamara naar huis komt. Dit is hoopgevend,  maar ik realiseer me tegelijkertijd dat dit nog maar het begin is.

Zouden de ouders bereid zijn om met deze mensen in gesprek te gaan? Om hen te vertellen wat er aan de hand is en om samen met hen een plan te maken om te voorkomen dat Tamara nog een keer met letsel in het ziekenhuis terecht komt. En zou het netwerk wel bereid zijn om met de ouders in gesprek te gaan en samen met hen een plan te maken? Wie uit het netwerk -wil en kan -daadwerkelijk iets betekenen voor Tamara en haar ouders? Zit er ook iemand tussen die aan de bel durft te trekken op het moment dat het niet goed gaat? Op alle deze vragen zal nog antwoord moeten komen.

Hoewel we er dus nog lang niet zijn, heeft het gesprek van vandaag Tamara wel een stukje dichterbij haar ouders gebracht.

  • Kevin
    Jeugdbeschermer bij Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond

 

  • Vanwege privacy redenen is het verhaal geanonimiseerd.

‘Ik kan die boosheid nog steeds voelen’

zwijgen 2

  • MARIANNE over RITA

‘Ik kan die boosheid nog steeds voelen’

Iedereen vond Rita een moeilijk mens. Ze maakte altijd ruzie en raakte haar werk kwijt door haar gedrag. Ik weet nog dat ik dacht: je wordt niet zomaar moeilijk. Ik besloot haar te observeren. Seksueel misbruik kwam niet bij me op. Dat was in die jaren geen onderwerp. Het ging over het recht op seksualiteit voor mensen met een verstandelijke beperking.

Begin jaren 80 was ik net afgestudeerd orthopedagoog met specialisatie zwakzinnigenzorg, zoals dat heette. Als teambegeleider kwam ik in het gezinsvervangend tehuis waar Rita woonde met nog 24 anderen. Niet echt kleinschalig, denk je nu, maar indertijd was dat een eerste stap in die richting. Voor die tijd was je met een verstandelijke beperking veroordeeld tot een leven in een instelling ver weg in de bossen.

Rita kwam er wonen na het overlijden van haar moeder. Haar vader en broer konden haar niet aan. Ze ging nog wel af en toe een weekendje bij ze logeren. Toen ik haar leerde kennen, was ze een jaar of 40. Niemand wist raad met haar. We deden indertijd niets met diagnostiek, die was door de orthopedagogiek ten grave gedragen.

Alles wees in de richting van seksueel misbruik maar die gedachte stond ik mezelf nog niet toe.

Hoewel het de bedoeling was dat ik als orthopedagoog alleen het team begeleidde, verdiepte ik me ook altijd in de cliënten. Bij Rita kwam ik er niet goed achter wat het probleem was. Pas toen een begeleider me vertelde dat ze elke ochtend om 4.00 uur opstond om de doucheruimte niet te hoeven delen met mannelijke bewoners, begon er een lampje bij me te branden. Alles wees in de richting van seksueel misbruik maar die gedachte stond ik mezelf nog niet toe. Ik realiseerde me wel dat Rita een zwaar getraumatiseerde vrouw was. Toen ook uit onderzoek bleek hoe vaak mensen met een verstandelijke beperking slachtoffer waren van seksueel misbruik, wist ik niet wat ik moest doen.

Uiteindelijk heb ik bij de RIAGG aangeklopt met de woorden: ‘Ik denk dat ze thuis misbruikt wordt, kunnen jullie helpen?’ Als antwoord kreeg ik te horen: ‘Dat doen we niet want ze heeft een verstandelijke beperking.’ Ze gaven me gedragsbeïnvloedende pillen, die zouden haar wel rustiger maken. Zo ging dat toen. Als ik eraan terugdenk, kan ik die boosheid nog steeds voelen. Discriminerend, vond ik hun reactie. Hoe konden ze zo laatdunkend doen over een vrouw die heel hard hulp nodig had?

Tegen beter weten in gaven we haar die pillen, maar die hielpen natuurlijk niet. Toen ben ik zelf met haar gaan praten. Doodeng. Ik wist niet hoe ik zo’n gesprek moest voeren. Wat als ze zou zeggen dat haar vader haar misbruikte? En inderdaad vertelde ze over misbruik. Niet door haar vader, maar door de buurman. Al sinds haar 11e en niemand die het wist. Wat nu? Er waren geen handleidingen en de politie bellen daar dacht je in die tijd niet aan. Het hoofd van het tehuis heeft toen haar vader geïnformeerd maar die geloofde het niet: ‘Dat verzint ze maar, want ze heeft een verstandelijke beperking.’ Datzelfde hoofd heeft de buurman er toen zelf op aangesproken. Dat had effect: het misbruik stopte. Rita vertelde ons dat het niet meer gebeurde.

Met alles wat ik in me had, heb ik geprobeerd Rita te helpen. Ik had geen therapeutische opleiding dus ging ik af op mijn intuïtie. Haar gedrag veranderde niet meteen maar het werd wel rustiger voor haar. Ook omdat we haar een eigen douche gaven, waardoor ze eindelijk weer genoeg slaap kon krijgen.

Door Rita ging ik me verder specialiseren in diagnostiek en behandeling van seksueel misbruik bij mensen met een verstandelijke beperking. Samen met een collega hebben we onze praktijkkennis gebundeld en opgeschreven. Dat resulteerde onder meer in een training om professionals beter toe te rusten als het gaat om seksueel misbruik bij deze kwetsbare mensen.

Vraag gewoon: ‘Maak je wel eens nare dingen mee? Bijvoorbeeld met pesten, slaan of seks?’

We weten nu beter hoe we deze problematiek moeten aanpakken. Toch gaan professionals het onderwerp nog vaak uit de weg. Ik wijt dat aan onze eigen machteloosheid. De angst voor wat je te horen krijgt en de angst om het niet te kunnen oplossen. Ik vind dat we het nodeloos ingewikkeld maken met als excuus dat het te dichtbij komt. Wat een onzin! Seks hebben we allemaal, maar misbruik is wat anders. Die nuchterheid mis ik in de hulpverlening. Het is je vak. Leer praten over seksueel misbruik. Dat doe je toch ook over ADHD? Vraag gewoon: ‘Maak je wel eens nare dingen mee? Bijvoorbeeld met pesten, slaan of seks?’ En dat je het soms ook even niet weet, dat hoort erbij. Natuurlijk gaat er wel eens wat fout. Wees daar eerlijk over, daar leer je van.

Eigenlijk dacht ik na mijn pensioen wel klaar te zijn met dit onderwerp. Maar als ik dan op tv weer een bestuurder een incident zie goedpraten, voel ik die boosheid weer terugkomen en denk ik: ik moet er nog steeds wat mee. Rita heeft een vuurtje in me aangewakkerd en dat laat zich niet zomaar doven.

 

Marianne was actief als GZ psycholoog en is inmiddels gepensioneerd.

Download het verhaal als pdf

30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 1 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.

Bron: weektegenkindermishandeling.nl