Denk niet zwart – wit

Soms moet je buiten de lijntjes kleuren

Nely Barendregt begeleidt tienermoeders bij Timon in Rotterdam. Kimberly ging deze blanke mevrouw vertrouwen.

“Het was een warme, benauwde dag toen ik Kimberly voor het eerst zag. In juli 2018 kwam ze met haar dochtertje wonen op een van de locaties van Timon in Rotterdam waar wij tienermoeders begeleiden. Kimberly was net zeventien, haar dochtertje twee. Al haar spullen stonden in de kamer. Het was veel te veel. Kimberly had totaal geen overzicht en had een afkeer van hulpverleners. Later legde ze uit waar die afkeer vandaan kwam: “Blanke mensen vinden ons niet goed en willen onze kinderen afpakken.” Ze voelde zich minder omdat ze donker was.

Kimberly had een turbulent leven achter zich. Haar moeder was in Rotterdam opgegroeid, maar leefde sinds 2016 op Curaçao. Kimberley had in de gesloten jeugdzorg gezeten en was in die tijd zwanger geraakt. Ze was op Curaçao bevallen, maar was teruggekomen naar Nederland om hier haar leven op te bouwen. Ze had rondgezworven en was bij een zorginstelling beland totdat er bij ons een plek kwam. Timon helpt tienermoeders met huisvesting en het moederschap. We begeleiden bij financiën, indicaties en onderwijs en we ondersteunen bij de opvoeding.

Tot 2013 werkte ik in het bedrijfsleven. Ik wist wel veel van de zorg omdat ik ruim dertig jaar mentor en bewindvoerder was van twee zussen. In 2018 kwam ik bij Timon. Kimberly was een van mijn eerste cliënten. Ze zette die dag haar spullen in haar woning bij Timon en daarna ging ze met haar dochtertje naar haar zus in Brabant. Wekenlang liet ze niets van zich horen, maar ik ben een terriër. Met alleen een straatnaam en de achternaam van haar zwager zocht ik haar op. Ik liep alle naambordjes langs en zo vond ik Kimberly en haar dochtertje terug.

‘SOMS MOET JE BUITEN DE LIJNTJES KLEUREN’

Kimberly vertelde dat ze niet in de toegewezen woning in Rotterdam kon blijven omdat zij en haar vriend eerder lastig gevallen waren in deze buurt. Ik betwijfelde of het waar was, maar al snel werd besloten dat ze elders een appartementje zou krijgen. Haar spulletjes moesten tijdelijk worden opgeslagen totdat die plek vrijkwam. Uit haar netwerk wilde niemand haar meer helpen verhuizen. Ik regelde een aanhanger, huurde een opslagruimte en met een paar man uit de nachtopvang verhuisden we de boel. Kimberly vond het heel speciaal dat ik dit voor haar deed. Sinds die dag vertrouwde ze me.

Ik begeleidde haar intensief en daarbij was ik altijd supereerlijk. Begin dit jaar wilde ze iets bespreken, maar ze wist niet goed hoe. Ze bleek weer zwanger. Ik vroeg of ze blij was en of ik haar mocht feliciteren. Dat was niet zo. Ze wilde een abortus. In principe ben ik tegen abortus, maar vaak zie ik dat er meer problemen komen als de zwangerschap doorgezet wordt. Dus ik steunde haar. Later zei ze: “U werd niet boos en gaf geen oordeel, dat vond ik fijn.”

Kimberly en haar vriend woonden toen samen met haar ene dochtertje. Regelmatig kwam de politie aan de deur vanwege geluidsoverlast of ruzies. Er lagen twee meldingen bij Veilig Thuis omdat haar dochtertje getuige was van het geweld. Toen de situatie precair werd, regelde ik via een fonds een ticket en een paspoort zodat de kleine naar Kimberly’s moeder in Curaçao kon. We waren net op tijd op Schiphol, want ze moest die ochtend nog het paspoort ophalen. Dat had ze niet tijdig geregeld. En ze moest ook nog even nepwimpers kopen.

Aanvankelijk kwam er rust, maar haar vriend bleef komen en ging steeds meer drinken waardoor er weer veel ruzie was. Uiteindelijk zette de woningstichting haar uit huis en moesten we weer alles opslaan. Soms moet je buiten de lijntjes kleuren. Dat heb ik gedaan bij Kimberly. Inmiddels is de kleine weer in Nederland. Kimberly’s moeder blijft hier wonen zodat ze beter voor haar dochter en kleindochter kan zorgen. Dat geeft veiligheid.

Pas geleden is Kimberly achttien jaar geworden en ze vroeg of ik haar nog wilde blijven begeleiden. Mijn manager is akkoord gegaan, want als we haar nu loslaten, gaat het zeker fout. Daar is ze dolblij mee. Ik heb gezegd dat ik blijf, maar dat ik niet meer alle shit ga oplossen.”

In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. De kracht van het alledaagse publiceert elk verhaal afzonderlijk. Het boek staat ook online. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl. Gezien de beperkte oplage kunt u slechts één boek bestellen en op is op! Boek ‘Jeugdprofessionals over die ene jongere’

Kleine pittig mannetje

Kleine man, kom maar

Natasja de Vries was groepsleider op een afdeling voor jonge kinderen bij Jeugdhulp Friesland. Lucien kwam daar toen hij zes jaar oud was en bleef er ruim twee jaar.

“Lucien kwam binnen met een tas vol medicijnen voor zijn gedrag. Een tenger ventje van zes, wat gelaten. Ik zag een lief muisje. Aan zijn ogen kon je zien dat hij al veel had meegemaakt. Hij had een moeilijke start gehad bij zijn moeder en was in een pleeggezin geplaatst. Daar was het mis gegaan. Hij werd gebracht door twee enorm verdrietige pleegouders. Lucien ontwrichtte het pleeggezin. Ze konden het niet meer aan.

Ik was groepsleider op de crisisafdeling, waar kinderen langer konden blijven als dat nodig was. Lucien ging vrij snel mee in de structuur. Hij ging naar school, draaide muziek op zijn kamer en zat soms bij mij op schoot tv te kijken. Zo kregen we contact. We legden uit dat hij hier lang kwam logeren en vertelden waarom hij hier was. Dat wist hij wel. Hij praatte met een hoog stemmetje: “Ja, want het ging niet goed. Ik was heel vaak boos. Dan ging ik dingen doen die niet mochten.”

Lucien begon te wennen en zijn problemen kwamen aan de oppervlakte. Er kwam een kind tevoorschijn met trauma’s en angsten. Als hij iets moest wat hij niet wilde of waarvan hij dacht dat hij het niet kon, raakte hij ontregeld. Dan liet hij primair gedrag zien en ging gillen, huilen of schreeuwen. Hij kon de groep verlaten en in zijn nakie terugkomen, helemaal in paniek omdat hij zichzelf niet meer onder controle had. Hij maakte spullen kapot of ging dwangmatig repeterend schelden: “Stommerd, stommerd, stommerd”. Net zolang totdat hij moe werd of we hem afleidden.

Hij werd mijn mentorkind. Kleine man, kom maar, dat gevoel riep hij bij me op. Ik ging voor hem door het vuur. Samen gingen we op zoektocht. De psychiater gaf medicatie waardoor zijn concentratie verbeterde. De therapeut deed veel rondom hechting en trauma. De gezinsvoogd zorgde voor een veilige omgangsregeling. Daar had hij allemaal baat bij.
Ik ging harder strijden toen ik erachter kwam dat zijn school geen rekening hield met de oorzaak van zijn gedrag. Hij haalde er vaak kattenkwaad uit. Op een gegeven moment moest hij in een apart hokje zitten en kreeg hij een eigen lesprogramma om te kijken wat hij aankon. Als hij tien kruisjes had gehaald, mocht hij terug naar de klas. Dat lukte natuurlijk niet. Als je een boek op zijn tafel legde, wilde hij de Donald Duck lezen en dan was er strijd. Op de groep hadden we een manier gevonden daarmee om te gaan. Ok, lees jij de Donald Duck maar, dan lezen we daarna ook mijn boekje. School wilde daar niet in mee. Hij werd geschorst toen hij het brandalarm ingedrukt had en de hele school moest worden ontruimd.

Hij had ook een andere kant. Iedere week werd hij door Jan, onze facilitair medewerker naar therapie gebracht met de auto. Toen Jan jarig was kocht Lucien van zijn zakgeld een pannetje, want Jan kookte soms voor ons. Ook kocht Lucien een blauwe parkeerschijf want: “Als Jan me wegbrengt moet hij parkeren en denkt hij altijd dat de parkeerwachter hem een bon geeft. Dan wordt hij een paniekpiet.”

Door die puurheid wilde ik dat hij op een goede plek terecht zou komen, een plek waarbij ik het vertrouwen had dat ze hem echt gingen zien. We brachten zijn steunfiguren in kaart: zijn therapeut, zijn pleegmoeder, zijn moeder en ik. Vier vrouwen had hij om zich heen. Samen hebben we gekeken wat hij nodig zou hebben om in een gezinsachtige setting te kunnen leven. Uiteindelijk hebben we die goeie plek gevonden. Een gezinshuis, een mooie grote boerderij en bij ontzettend lieve mensen met veel ervaring in dit werk.

Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten

Ook in dit gezinshuis kreeg hij een terugslag. De psychiater stelde zijn medicatie daarna beter in. De gezinsmoeder investeerde enorm in de hechting en nu gaat het goed. Met de gezinsmoeder heb ik nog contact. Hij woont er ruim drie jaar nu. Het is een pittig mannetje. Hij zit in je hart, dat maakt dat je doorzet. Je moet opgewassen zijn tegen het afstoten.

Ik doe ruim twaalf jaar groepswerk. Met een deel van de kinderen gaat het goed. Maar ik zie ook ieder jaar kinderen terugkomen, de zogenoemde draaideurkinderen. Soms zien we ze in de pubertijd weer op de crisisafdeling. Lucien kwam heel jong binnen en had bovengemiddelde heftige problemen. Maar ook met een onveilige hechting ben je niet verloren. Daarin geloof ik en vanuit die overtuiging wil ik blijven werken.”

Het verhaal van Natasja en Lucien komt uit de serie ‘Die ene jongere’, waarin jeugdzorgprofessionals vertellen over die jongere die ze nooit vergeten zijn. In ‘Jeugdzorgprofessionals over die ene jongere, twintig verhalen uit het hart’, vertellen professionals over die ene jongere die ze nooit vergeten zijn. Als u een exemplaar van het boek wilt bestellen kunt u een e-mail sturen naar communicatie@jeugdzorgnederland.nl.