Aanpakken

aanpakken.png

De man die naast hem aan de bar plaatsnam, kwam hem bekend voor. Een relatie van zijn vader, meende hij. Toen hij begon te spreken, wist hij ook zijn naam weer: Van Delft. “Vannacht slaap je voor de verandering weer thuis, Michael. En morgenochtend, uiterlijk zes uur, meld jij je bij mij, op de werf. Je weet waar die is; je was er al eens met jouw vader. Wat is je mobiele nummer?” Overdonderd door de directheid dreunde Michael zijn telefoonnummer op. “Zes uur dus; en geen minuut later”, bromde de man nogmaals, en verdween weer.

 …..

Thuis slapen, vannacht? Zijn ouders hadden hem de laatste tijd juist de toegang geweigerd. Omdat hij dagelijks bezopen thuiskwam en, om dat te kunnen betalen, geld en goederen pikte. Van Delft had echter zeer beslist geklonken. Hij dronk zich moed in, toog naar huis en trof zijn vader. Zijn moeder lag al op bed. Dorst de confrontatie schijnbaar niet aan. Gesproken werd er niet of nauwelijks. Zijn kamer en bed waren onveranderd.

…..

“Ben je potdorie helemaal besnuffeld. Waar blijf je? Tien minuten na nu! D’r zitten hier mensen op jou te wachten man. En dat kost geld.” Verdwaasd en verbaasd keek Michael naar zijn mobieltje. Zes uur! Wat een tijd.

Voor zijn gevoel had hij zich allen even omgedraaid. Maar volgens de man aan zijn bed, Van Delft – hoe die daar kwam – had hij alweer een kwartier van zijn tijd verdaan. “Wat denk je wel. Er is op je gerekend. Hier, je broek en je trui, en meekomen.”

…..

Dat alles was een paar maanden geleden. Nu heeft Michael, bijna negentien, een contract bij Van Delft, een grond- en aannemingsbedrijf. Zijn eerste ‘diploma’, het Veiligheidscertificaat, heeft hij ook al. En net, nu als alles beter lijkt te gaan, dreigt wat hij verworven heeft, hem uit handen geslagen te worden. Over een week moet hij voorkomen. Voor een kraak van een maand of acht terug. Tijdens een van zijn pauzes vertelt Michael mij zijn verhaal.

“Ik was vijftien, en de school zat. Ik haalde de nodige ongein uit, en spijbelde. Natuurlijk, dat mocht niet. Dat vertelde school mij, vóór ze mij schorste. En de leerplichtambtenaar, die – hoewel direct op de hoogte gesteld – na een week of drie, vier contact zocht met mijn ouders. Maar toen was het kwaad eigenlijk al geschiedt. Thuisblijven kon niet, dat zou leiden tot vragen van pa en ma, of de buren. Dus ik hing zo wat rond, in de stad en op het station. Daar werd ik op een dag aangesproken door een man. Of ik wat wilde bijverdienen, vroeg hij. Nou, kort en goed: ik met die man mee. Bij hem thuis aangekomen begon hij wat aan me te plukken. Vervelend, maar hij  kreeg mij wel zijn bed in. Prettig was het niet, maar hij betaalde goed.

De dagen en weken daarna verdiende ik zo aardig wat bij. Het klote gevoel dat ik daarbij kreeg, dronk ik eerst weg met een biertje. Op één van die dagen ontmoette ik Jaap, een gozer die zich ook verhuurde. Hij bood mij een joint aan. En die smaakte! Zo begon ik te klooien met drugs. Een dure ‘hobby’ waarvoor de hoer spelen na verloop van tijd niet meer voldoende was. Zo ging het van kwaad tot erger. En bij een van de laatste kraakjes ben ik opgepakt. Ik was nét 18!”

Op mijn vraag, of hij geen hulp had gezocht of gekregen volgde een schampere glimlach. Zorg was hem meer dan genoeg aangeboden. Tenminste, in het vooruitzicht gesteld. “Op school was er een soort van zorgteam. Daar is mijn ‘geval’ besproken. Toen ik na mijn schorsing niet meer terugkwam op school, werd mijn dossier doorgestuurd naar een of ander interventiekluppie. Dat was een dikke maand na mijn schorsing Thuis was er altijd gezeik en gedonder. Want van mijn ouders moest mijn school afmaken, terwijl ik daar geen zin in had. Na verloop van tijd mocht ik ook niet meer thuiskomen. Een goedkoop hotelletje, een maatje van de straat, een klant; zij boden mij regelmatig onderdak.

Het interventieteam oordeelde een paar weken later dat mijn problemen veroorzaakt werden door mijn drugsgebruik. Dus werd ik verwezen naar de verslavingszorg. Die meende echter, dat er sprake was van psycho-sociale problemen. Bovendien, ik was nog geen achttien; dus jeugdzorg was meer aangewezen. Daarvoor moet je naar wijkteam. Het duurde even voor ik daar terecht kon.

Intussen hadden mijn ouders, ten einde raad, ook hulp gezocht; bij de Jeugdbescherming. Ze hadden aangedrongen op een maatregel. Want zij zagen er geen gat meer in. Dus stuurde Jeugdbescherming mij een uitnodiging voor een kennismakingsgesprek. Wat ik een week eerder al had gehad! Ze wisten daar echt niet wie met wie contact had! En waarschijnlijk ook niet waarom.

Nou ja, uiteindelijk werd ik inderdaad onder toezicht gesteld. Jeugdbescherming besloot vervolgens dat ik het beste opgenomen kon worden in een of ander behandelgroep. Die groep echter kende een wachtlijst. Toen er na vijf maanden eindelijk plaats kwam, mocht ik toch niet komen: vanwege mijn drugsgebruik. Alsof ze dat vijf maanden eerder niet al wisten!

Van de drank en de drugs ben ik uiteindelijk eigenlijk heel simpel afgeraakt. Als je elke ochtend om vijf uur je bedje uit moet – of wordt gehaald, als je er niet bent – dat red je niet, als je alle avonden doorzakt. En na een dag van hard werken, was ik ’s avonds te moe om nog even weer de stad in te gaan.

“Kijk”, vertelt hij, “eigenlijk was er niet zoveel mis met mij. Voordat ik ging spijbelen ging het thuis eigenlijk best goed. Mijn moeder is een best wijf, en mijn vader een prima kerel. Ik was de school gewoon zat. En Van Delft bereikte op die dag meer dan al die anderen. Hij deed, wat anderen nalieten: aaanpakken!”