Undercover

undercover

  • Op staatsbezoek

Soms maakt het niet uit wat ‘waar’ of ‘echt’ is, maar is de ander volledig accepteren en daarin meebewegen het beste wat je kunt doen.

In Amsterdam rijden we tijdens de surveillance geregeld op tram- en busbanen. Dit scheelt een hoop tijd en het zorgt ervoor dat we niet alleen maar via de standaardroutes op de standaardplaatsen surveilleren.

Ik zat met mijn collega in de auto en we reden op dat moment midden in het centrum van Amsterdam op de trambaan, welke middels een hoge stoeprand van de normale weg gescheiden was. Voor ons reed een man van rond de veertig op een fiets. Deze man heeft fietsend sowieso al niets op de trambaan te zoeken, maar als hij dan ook nog eens stug voor ons blijft fietsen is dat al helemaal vreemd en onhandig. Bij het eerstvolgende verkeerslicht stopt hij (nog steeds op de trambaan) en zet ik de auto naast de man. Ik open het raampje en vraag aan hem wat hij aan het doen is. Als hij vervolgens aan mij vraagt wat ík eigenlijk aan het doen ben, besef ik mij dat dit een langer gesprek gaat worden. In mijn achteruitkijkspiegel zie ik de eerste tram al aankomen, dus ik vraag de man met zijn fiets richting stoep te gaan. Ik zet de auto aan de kant en loop richting de man die inmiddels netjes op de stoep staat te wachten.

Nog voordat ik wat kan zeggen, begint de man te praten: “Ik snap het ook wel meneer. U vraagt zich af wat ik op de trambaan doe, want die is alleen bedoeld voor ambulances indien zij hoognodige uiterste spoed hebben. Én… voor staatsbezoeken…”

Ik kijk de man ietwat verbaasd aan. De man kijkt mij uiterst serieus aan. Ik besluit mee te gaan in zijn verhaal: “Maar meneer. U bent geen ambulance met hoognodige uiterste spoed.” Nee dat was hij inderdaad niet. “Maar dan bent u dus op staatsbezoek?” Inderdaad! Ik snapte het. Op mijn vraag waar hij dan op staatsbezoek was geweest, antwoordde de man doodleuk: “Bij Bea. Die woont daar!” Hij ondersteunde zijn verhaal door te wijzen naar een appartementencomplex aan de overkant van de straat. Ik zie vanuit mijn ooghoek dat mijn collega mij met grote pretogen aan staat te kijken, duidelijk genietend dat hij dit gesprek niet hoeft te voeren.

Dat de man lichtelijk in de war was, was me inmiddels wel duidelijk geworden. Een gevaar vormen deed hij echter niet. De man voor zoiets onschuldigs dan verplicht laten toetsen bij een psycholoog vond ik zwaar overdreven. Het was echter wel een probleem als hij op de trambaan zou blijven fietsen. De trams gaan significant harder dan deze fietsende staatsbezoeker.

Ik besluit om de enigszins verwarde man een voorstel te doen: “Meneer, we zitten een klein beetje met een probleem… Iedereen op straat weet en ziet dat u geen ambulance bent. Iedereen die u nu op de trámbaan ziet fietsen, weet dus ook meteen dat u op staatsbezoek bent. Dat is zonder de juiste beveiliging natuurlijk wel een beetje riskant…” Ja, daar had ik inderdaad wel een punt. Terwijl ik mijn collega, die buiten het zicht van de man zijn pretogen inmiddels had ingeruild voor een hele dikke grijns, probeer te negeren ga ik verder met mijn verhaal. “Is het niet een idee dat u vanaf nu undercover gaat? Dan fietst u gewoon net als alle normale burgers op het fietspad en dan heeft niemand door dat u eigenlijk stiekem gewoon een undercover-staatsbezoeker bent.”

Ik zie het gezicht van de man opfleuren en hij roept enthousiast dat hij dát een fantástisch idee vindt. De staatsbezoeker fietst daarna verder tussen alle nietsvermoedende burgers… netjes undercover op het fietspad.

  • Bron: Politie Amsterdam Centrum – Burgwallen