De balans tussen wat wel en wat niet kan

borstkanker

  • ‘Als je haartjes weer groeien, lijkt het goed te gaan’

Anjo Bloemen kampt na een intensieve behandeling van borstkanker (chemokuren, een amputatie, bestralingen en immuuntherapie) met late gevolgen, zoals vermoeidheids-klachten en een verminderde armfunctie. In haar hoofd gaat alles ‘in slow motion’ waardoor ze minder snel kan schakelen. ‘Vooral tijdens mijn herstelproces voelde ik mij eenzaam.’

‘Mijn leven is niet meer zoals het was. We wandelden in het weekend flinke afstanden. Dat kan niet meer. Ik moet mijn activiteiten doseren en niet al mijn reserves verbruiken. Soms ga ik bewust een stap verder dan eigenlijk kan. Dat kost me soms een week om weer op te laden.’

Iedereen is druk

‘Vooral tijdens mijn herstelproces voelde ik mij eenzaam. Als je haartjes weer gaan groeien, denkt je omgeving dat je je normale leven weer kunt oppakken. Juist toen zat ik midden in de puinhoop van mijn lijf. Ik moest leren dealen met mijn nieuwe ik en alles weer opbouwen. Mijn leidinggevende liet bijvoorbeeld weinig van zich horen. Hij belde een keer over het regelen van vervanging en een keer omdat hij iets niet kon vinden. Later bleek dat hij tegen collega’s had gezegd dat ze mij even met rust moesten laten. Ondertussen dacht ik dat ze mij niet meer ‘moesten’. Hij deed dit met de beste bedoelingen, maar het was beter geweest als hij had overlegd wat ik prettig had gevonden.

Ziek-zijn heeft voor je werk en omgeving een beperkte houdbaarheidstermijn. Iedereen heeft het druk. Een operatie, chemokuren en bestralingen zijn tastbaar. Veel mensen weten niet, dat daarna een moeilijk herstelproces begint, tenzij ze het zelf hebben meegemaakt. In mijn vriendenkring ben ik ook mensen kwijtgeraakt. Een vriendin vond dat ik te lang bezig was met mijn herstel. Dat heeft mij zo gekwetst dat ik afscheid van haar heb genomen. Een geluk bij een ongeluk was dat twee vriendinnen hetzelfde traject meemaakten. Daardoor begrijp je elkaar en hoef je elkaar niets uit te leggen. We konden er grappen over maken en het relativeren. De ondersteuning van mensen op de naturistencamping, waar we toen een vaste plaats hadden, was ook super. Ik kreeg een warm applaus toen ik me daar voor het eerst na de operatie durfde vertonen.’

Kwetsbaar

‘Je over en weer kwetsbaar opstellen, helpt eenzaamheid te overbruggen. Als je niet weet wat je voor een ander kunt doen, zeg dat dan. Het belangrijkste is dat we niet moeten denken voor die ander, maar vragen wat hij of zij wil. Zelf heb ik geleerd om te voelen wat ik nodig heb en daarover te praten. Doordat mijn energie enigszins beperkt is, maak ik andere keuzes, ook in contacten. Ik kijk wat goed voelt en wat ik aankan en laat mij daardoor leiden. Het is een heel proces geweest om te accepteren dat ik niet meer de oude word en te leren houden van de nieuwe leuke ik, die Ik nu ben. Ik heb mijn doelen leren bijstellen en mijn balans gevonden in wat ik wel en niet kan.’

  • Bron: Chronische ziekte en  eenzaamheid Verhalen uit de praktijk – Patiëntenfederatie Nederland.

Anders vastpakken

anders vastpakken

  • Hoe laat je gaan wat je nodig hebt?

Rond zijn elfde levensjaar was hij uit huis geplaatst nadat hij op school had aangegeven te worden geslagen door zijn stiefvader. Zijn moeder baatte toen nog een restaurant uit, maar dat liep niet succesvol. Hij wilde zelf thuis weg, naar een pleeggezin.

Het leverde voor hem helaas geen stabiel alternatief op. De jaren die volgden werden namelijk getekend door steeds wisselende woonplaatsen en woonvormen, van een crisisgroep naar een woongroep, van een gesloten inrichting naar een open inrichting.

Hij vertoonde ondertussen in toenemende mate onhandelbaar gedrag. Uit pure verveling en door gebrek aan begeleiding liet hij zich te gemakkelijk meenemen in het schadelijke gedrag van een groep jongens waarmee hij optrok. De spanning gaf een kick. Wat niet meehielp was dat hij in die periode geen schoolopleiding volgde.

Het restaurant van moeder ging uiteindelijk failliet. De geldproblemen liepen zo uit de hand dat ze zelfs hun huis kwijtraakte en met haar twee andere kinderen dakloos werd. Een situatie die pas na een kaar werd opgelost. Zijn gedrag werd er ondertussen niet beter op: van vuurtje stoken tot vernielingen aanrichten, op zeker moment heeft hij zelfs weten in te breken op een computersysteem. Hij vertoonde daarmee dan zekere intelligentie, hij bleek toch echt het verkeerde pad te kiezen.

In die periode heeft de jeugdvoogd mij ingezet. Hij was op dat moment op de crisisopvang beland. Het doel was om te beginnen hem weer naar een school te krijgen. Het contact kwam zeer moeizaam tot stand. Hij was erg naar binnen gekeerd, sprak vrijwel niet en keek mensen dan wel aan, maar wat in hem omging liet zich alleen raden. Hij had geen hobby’s, hiel zelfs niet van films kijken en had niets met sport. Het was dus flink zoeken naar een opening om contact van enige betekenis met hem te krijgen.

Wat zeker niet hielp, was dat hij jarenlang zoveel hulpverleners had zien komen en gaan. Mensen die tijdelijk met hem optrokken om dan te vertellen hoe hij moest denken, voelen en handelen, maar even snel weer verdwenen als ze waren verschenen. Ik werd in eerste instantie ook zo geklasseerd. Waarom zou hij zijn vertrouwen nog in mij investeren?

Ik kreeg de ingeving om met hem een gesprek aan te knopen over oosterse astrologie. Samen zochten wij op de telefoon naar zijn sterrenbeeld. Bij zijn dierenteken kwamen kenmerken naar voren als creatief en sociaal, iets waar hij het totaal niet mee eens bleek te zijn. Ik wierp tegen dat hij desalniettemin wel heel goed was in tekenen, maar hij achtte dat zelf bepaald niet als stoer genoeg. Allerlei eigenschappen hebben we aan hem gekoppeld en nagelopen of het op enige manier van toepassing kon zijn. Hij bleef halsstarrig volhouden dat het compleet niet op hem sloeg. Opmerkelijk genoeg kregen wij daardoor toch een band.

Zijn moeder had inmiddels weer een woning gevonden die ze deelde met haar twee andere kinderen, waar ook de stiefvader regelmatig was te vinden. Hij wilde niets liever dan terug naar huis, om zweer bij zijn moeder te zijn. Hij was gefrustreerd dat zijn halfzusje van tien wel thuis bij moeder woonde, goed presteerde op school en ook nog eens een prachtige slaapkamer had. “Waarom zij wel, en ik niet?”, spookte het door zijn hoofd. Het vormde voor hem een blokkade, ook om zich constructief met zijn schooltoekomst bezig te houden.

Met zijn mentor, zijn moeder, zijn voogd, met alle betrokkenen en met hemzelf ben ik over die kwestie het gesprek aangegaan. Met hem sprak ik af dat hij een brief zou schrijven waarin hij zijn pijn, verdriet, frustratie zou opschrijven, om deze dan voor te lezen om te onderbouwen waarom hij graag naar huis terug wilde.

Die brief heeft hij daadwerkelijk geschreven, al is deze nooit voorgelezen. Er was namelijk al besloten dat hij steeds vaker naar huis kon, daar kon logeren en kon uitproberen of zijn band met moeder weer hersteld kon worden en zij in staat zou zijn de moeder te zijn waar hij naar verlangde.

Zijn moeder begeleidde ik vanuit een ander traject: de Wmo. Ik twijfelde sterk of zij als moeder in staat zou zijn hem de juiste ondersteuning te bieden. Hoezeer ik het hem dan ook wel gunde, voor moeder speelden ondertussen nog veel andere problemen. Het kon wel eens een te zware opdracht zijn, haar 16-jarige zoon weer in huis te nemen, hem de benodigde aandacht en liefde te geven en de opvoedkundige regels te handhaven.

Ze deed echt haar best, maar bekommerde zich meer om afgeleide zaken, zoals commentaar geven op zijn rookgedrag of zijn lichaamshouding: kin omhoog en schouders naar achteren. Dat soort dingen. De spanning was echt te snijden als zijn moeder hem zo probeerde op te voeden. Daarbij kwam dat, hoezeer ze ook van hem hield, zij niet in staat was daar goed uitdrukking aan te geven. Affectie die zij wel openlijk toonde naar de jongste dochter, tot zijn mateloze frustratie. Het huis had ook maar twee slaapkamers, dus logeerde hij noodgedwongen op de bank.

Wanneer ik hem opzocht in de crisisopvang was me daarbij opgevallen dat hij steevast dezelfde kleding droeg. De begeleiders van de crisisopvang beaamden dat hij slechts over twee sets kleding beschikte, die bovendien met mooi weer op komst veel te warm waren.

De omgang tussen moeder en zoon verliep moeizaam en stroef. Dat bleek bijvoorbeeld toen ik het plan opvatte om zijn moeder in te schakelen voor wat nieuwe outfits. Moeder wilde dan heel graag samen winkelen, maar dat stuitte bij hem op weerstand. Geen denken aan zelfs, hij was vijftien en gin niet met zijn moeder winkelen. Als tweede optie stelde ik voor dat ze hem wat geld gaf om dan maar zelfstandig kleren aan te schaffen. Dit stuitte weer bij haar op een pertinente weigering. Hij kon het geld immers wel eens gaan uitgeven aan de verkeerde dingen. Ik liet me niet ontmoedigen en stelde creatief een online shopping sessie voor, samen met zijn halfzusje erbij.

Dat bleek voor beiden bezwaarlijk, want het was nu juist haar wens om met hem samen een keer iets te doen en hij kwam nu met de smoes dat zijn halfzusje te druk was en hij had behoefte aan rust aan zijn hoofd. Een patstelling. Het gegeven van twee mensen die elkaar niet kunnen bereiken, dat was pijnlijk. Voor iedereen.

Toch bleef hij maandenlang proberen om het te laten werken tussen hen beiden. Hij ging elke keer vol goede moed naar haar toe. Maar keer op keer droop hij weer af, kwam hij terug op de groep, diep teleurgesteld in zichzelf en zijn moeder. Omdat het weer niet was gelukt om er iets fijns en moois van te maken, samen. Zijn grote behoefte en verwachtingen, haar gevoelsmatige onvermogen en gereserveerdheid, de kloof werd gewoon niet geslecht. Hij verloor de moed en werd wanhopig depressief, het emotioneel verwerkingsproces liep vast en de verwarring nam alleen maar toe. Hij ervoer één grote leegte, een bodemloze put.

Toon hij het aanbod ontving om in een woongroep te komen, waar hij tot zijn achttiende terecht kon, was dat inmiddels een heel aantrekkelijk alternatief. Maar het bracht hem ook in een innerlijke tweestrijd waar hij totaal niet uitkwam. Ik trof hem aan in volslagen verwarring. Urenlang hebben we gepraat. Wat wil je, echt? Wat wil jij? Die vraag spiegelde ik hem in alle variaties steeds weer voor. Hij is vijftien, een op zichzelf teruggeworpen, een al levenservaren jonge man, zonder gidsing door ouders. Allerhande emotionele behoeftes en lastig te verwerken pijn liepen door elkaar. Ik gaf het hem te doen, dat hij dit zelfstandig moest beslissen. Het was de zwaarste periode van zijn leven, nog nooit had ik hem zo zien worstelen. Alsof hij telkens als hij op het hoogste punt was van de wip de andere ik zich weer afzette en hem weer naar beneden haalde. Hij worstelde eindeloos met een vraag, waar hij niet emotioneel zelfstandig genoeg voor was.

Toen hij ten langen leste een bewuste beslissing had genomen en koos voor de woongroep, heb ik hem dan ook enorm geprezen voor die zelfoverwinning. Ik heb hem aangemoedigd om zijn beslissing ook meteen kenbaar te maken aan zijn moeder, wat hij ook heeft gedaan.

Hij koos bewust om de droom los te laten nog weer bij zijn moeder te kunnen wonen. Om te werken aan hun onderlinge relatie vanuit de zelfstandige setting van de woongroep.

Hij is nu bevrijd van dit stuk verleden en kan door dat verlangen los te laten verder met zijn toekomst.

  • Bron: Het nieuwe thuis – verhalen uit de praktijk | TalenTonen Zorg en ontwikkeling

 

 

 

 

Mijn hondje houdt de moed erin

hondje

  • ‘Als ik zeg dat het niet goed gaat, stokt het gesprek’

Corrie kreeg op haar 45e tijdens een vakantie in Griekenland de ziekte van Lyme. Daar kwamen later andere chronische ziekten bij, zoals reuma, diabetes en apneu. ‘Het gevolg is dat ik in een rolstoel zit en me continu moe voel. Twee keer per dag helpt de thuiszorg mij in en uit bed. Het wordt bijna onmogelijk om ergens naartoe te gaan. Daardoor voel ik me alleen.’

‘Ik was altijd heel actief; ik werkte tot mijn 55e, zorgde voor mijn ouders, was vrijwilliger in het verzorgingshuis en zette mij in voor de dierenbescherming. Vroeger zocht ik zelf de contacten op en organiseerde ik gezellige dingen.’

In de steek gelaten

 ‘Dat is langzaam maar zeker steeds minder geworden. Tot mijn 65e heb ik een goed leven gehad. Toen is mijn man, na een huwelijk van bijna 45 jaar, bij mij weggegaan. Daarover ben ik heel verdrietig en boos geweest. Nu kan ik mij ook wel voorstellen dat het moeilijk is om met iemand te leven die steeds minder kan, maar toch voel ik me door hem in de steek gelaten. Mijn zoon woont hier drie uur reizen vandaan. Hij vraagt weleens of ik niet bij hem in de buurt wil komen wonen, maar ik weet niet of dat verstandig is.’

‘Inmiddels zie ik ook slecht, waardoor het gevaarlijk is om alleen met de scootmobiel op pad te gaan. Dat maakt dat ik minder contacten heb. Contact moet toch van twee kanten komen en van mijn kant kost dat te veel energie. En doordat ik mij vaak moedeloos voel, ben ik niet altijd even aardig. Als ik zelfstandig ergens naartoe wil, is dat veel geregel met taxi’s die ik een avond van tevoren moet bellen en die dan een kwartier eerder of later komen. Het gevolg is dat ik ergens te vroeg of te laat arriveer en verloren in mijn rolstoel zit te wachten. Eigenlijk ga ik steeds minder vaak de deur uit.’

Tranen

‘Als ik naar een gezellig televisieprogramma kijk, voel ik me soms opeens eenzaam en springen de tranen in mijn ogen. Met Sinterklaas kreeg ik een cadeau met een gedicht. Dan raak ik geëmotioneerd, omdat ik die gezelligheid zo mis. Soms denk ik: waarom ik? Maar je kunt ook denken: waarom ik niet? Op advies van zorgverleners ben ik een aantal keer naar de dagopvang gegaan, waar mensen er nog erger aan toe zijn dan ik. Ik zou het fijn vinden als ik hen kon helpen, maar nu voel ik mij daar absoluut niet thuis.

Contact met andere mensen maakt mijn gevoel van eenzaamheid soms nog groter. Er komen weleens mensen op bezoek, die eigenlijk niet goed weten wat ze moeten zeggen. Als ik zeg dat het niet goed met mij gaat, stokt het gesprek. Mensen willen niet naar gezeur luisteren, dat snap ik. Dan praten ze over iemand die ze buiten langs zien lopen of over het weer. Sinds kort heb ik een klein hondje. Twee kinderen laten hem tegen betaling uit. Vroeger had ik ook een papegaai en een prachtig aquarium. Ik ben gek op dieren; mijn hondje houdt de moed erin.’

  • Bron: Bron: Chronische ziekte en  eenzaamheid Verhalen uit de praktijk – Patiëntenfederatie Nederland.

Vriendelijkheid en een glimlach

thin fiber

‘Ik besta, dus ik doe ertoe’

Jos heeft chronische sarcoïdose, dunnevezelneuropathie en ADHD. De lichamelijke klachten begonnen op zijn 35e, maar het duurde lang voordat de diagnose werd gesteld. Als kind maakte hij ingrijpende dingen mee, zoals een onbesproken ziekte van zijn moeder, uit elkaar vallen van het gezin en een ernstig ongeluk. ‘In groepen voelde ik mij vaak buitengesloten; dat is eigenlijk zo gebleven. Doordat ik ziek werd, kon ik niet meer om mijn jeugdervaringen en gevoel van eenzaamheid heen.’

‘Als professioneel sporter en trainer had ik een afwisselend leven. Op mijn 35e viel ik zomaar dertien kilo af en bleef er weinig spiermassa over. Vijf jaar later bleek dat ik sarcoïdose had, waarbij het afweersysteem van slag raakt en er op verschillende plekken in het lichaam ontstekingen ontstaan. De vermoeidheid die daarbij hoort, is heel lastig. De neuropathie, gevoelloosheid in mijn handen en voeten, hangt er mogelijk ook mee samen. Voor mij betekent dat goed doseren van alle dagelijkse handelingen en alles met aandacht doen.’

Op is op

‘Mijn aandoening betekent dat ik tien eetlepels energie per dag heb. Als die op zijn, is het echt op. Een lastige opgave voor iemand met ADHD. Doordat mijn energie beperkt is, wordt het aantal mensen waarmee ik om kan gaan kleiner. Werken lukt al langere tijd niet meer. Als we naar vrienden gaan, rust ik van tevoren uit en ben ik bij thuiskomst helemaal op. Mensen zien aan de buitenkant mijn beperkingen niet; ze zien mijn opgepoetste variant. Reacties van onbegrip, ook van zorgverleners, triggeren mijn gevoel van eenzaamheid. De eerste neuroloog kon niet vinden wat er met mij aan de hand was en vond dat ik maar even met de psychiater moest praten. Hij had ook kunnen zeggen dat hij het niet wist en vragen wat ik wilde. Mijn huisarts vroeg steeds hoe het met mij ging en waar ik aan toe was. In overleg met hem kwam ik in een therapiegroep voor mensen met onverklaarbare chronische klachten. Daar leerde ik om ‘mijn lijf’ te ervaren en kwetsbaar te zijn. Dat werd een jarenlange weg. Ik denk dat ieder mens eenzaam is; je komt alleen en gaat alleen. Als je gezond bent, laveer je daar omheen. Je werkt, ontmoet automatisch anderen en betekent wat voor je werk of de maatschappij. Als je chronisch ziek wordt, kun je niet meer om je eenzaamheid heen. Ik kom alles wat niet leuk is aan mezelf en uit mijn verleden tegen. In de eerste fase van mijn ziekte waren onze kinderen nog jong. Ik moest er voor hen zijn, die dagelijkse routine hielp mij.’

Gevoelens van eenzaamheid erkennen

‘Stukje bij beetje leer ik omgaan met mijn eenzaamheid. Soms was het zo moeilijk dat ik uit mijzelf trad en van veraf naar mezelf keek. Nu probeer ik in het hier en nu te blijven. Door mijn gevoel van eenzaamheid te herkennen en compassie te hebben met mijzelf, wordt dat gevoel zachter. Als ik met mijn hond wandel, zeg ik regelmatig: ‘moge ik erkennen dat het is zoals het is’. Dat helpt om mijn gevoelens echt te erkennen en voorkomt dat ik weer in een depressie kom. Het helpt ook om zachter te zijn naar anderen. Vriendelijkheid, een glimlach, geeft mij en mensen die ik tijdens mijn wandeling tegenkom energie, zonder dat het energie kost. Die dagelijkse ontmoetingen helpen mij zin te geven aan mijn leven. En wat ik al van jongs af aan tegen mij zelf zeg is: ‘Ik besta, dus ik doe ertoe’.’

  • Bron: Chronische ziekte en  eenzaamheid Verhalen uit de praktijk – Patiëntenfederatie Nederland.

Een tuinlamp aan het einde van de tunnel

tuinlamp

  • Loslaten om vast te pakken

Het mooiste is dat ik haar vertrouwen heb gewonnen. Ik bleef lange tijd naast haar staan, dus ik werd een vaste waarde in haar leven. Geen wisselende hulpverleners, maar één contactpersoon waarmee zij een band kon opbouwen en ik met haar.

De opdracht kwam vanuit een GGZ-instelling. Om een jonge vrouw uit Afrika, een slachtoffer van mensenhandel, te begeleiden en te helpen integreren in de Nederlandse samenleving. Ze had echt op jonge leeftijd al te veel zwaar verkeerde dingen meegemaakt/ Ze was als slavin iemand bezit geweest, van al haar mensenrechten beroofd. Daarbij ook mishandeld. Ze was zo ver heen, dat ze niet meer wist wat of wie te vertrouwen. Ze kampte ook met heftige angstaanvallen, psychoses zelfs, ten gevolge van een posttraumatisch stresssyndroom. Die angsten blokkeerden haar om nog de deur uit te gaan. Als ze dat wel deed, bleek ze ten gevolge van haar ervaringen zodanig kwetsbaar, dat ze daardoor even makkelijk omging met weer precies het verkeerde soort mensen.

Toen ik aan haar werd gekoppeld was ze twee jaar in Nederland en sprak eigenlijk alleen Engels. Ze had een huisje toegewezen gekregen en volgde een inburgeringscursus, maar deed simpelweg de deur niet open als ik bij haar aanbelde. Zo kon ik de eerste paar keer onverrichter zake weer naar huis.

Daarna ben ik samen met een medewerker van de GGZ-instelling langs gegaan die over een sleutel beschikte en die heeft de voordeur voor mij opengedaan. Een week later bezocht ik haar, onaangekondigd. Hoe tegenstrijdig ook, als ik haar vertrouwen wilde winnen moest ik wel minstens een vorm van contact eenzijdig afdwingen.

Het toegewezen huis had een compleet verwilderde tuin, die er bepaald niet uitnodigend uitzag. Ik stelde haar voor dat ik iemand zou vinden voor haar, om van de tuin iets gezelligs te maken. Ze stemde toe. Ik was ervan doordrongen dat ik, in alles wat ik toezegde, vanaf het begin ook echt woord moest houden om haar vertrouwen te helpen herstellen. De tuin was de eerste kleine barrière die ik zo slechtte. Vervolgens heb ik steeds verbeteringen gesuggereerd en kleine dingen toegezegd en die ook steeds waargemaakt.

Toen kwam ze uit zichzelf met de vraag om een tuinlamp, een licht waardoor het buiten achter het huis niet zo donker bleef. Nadat ik ook die voor haar op afspraak had laten aanleggen leek een sprankje kalmte over haar te komen, dankzij bestendigd vertrouwen – vrij letterlijk – een licht in de duisternis.

Ze bracht het op, voorzichtig naar vertrouwen te zoeken. We kwamen verder. Veel tijd ging op aan lange gesprekken, over har dromen, maar ook over diep gevoelde behoefte aan wraak, te nemen op personen die haar leed hadden berokkend.

Ze leefde ook nog heel geankerd aan haar verleden. Ik deed mijn best om haar meer naar toekomstmogelijkheden te laten kijken. Investeer in je kansen, vergeet het verleden. Stel je, vanuit hier en nu, in op de dag van morgen.

Stap voor stap werden opvallende resultaten geboekt. Zo bouwde ze haar rustgevende medicatie af. Ondertussen bleef ik bij de wacht als het ging om welke mensen ze omging. Een deel van har kennissenkring zou de echt moeten loslaten, wilde ze zelfstandig in haar kracht komen te staan. Ik moest haar daarbij schijnbaar steeds opnieuw behoeden, bij herhaling uitleggen hoe zij, als aantrekkelijke mooie jonge vrouw, makkelijk het soort van aandacht krijgt van mensen die niet altijd de beste bedoelingen hebben.

Wat het voor haar moeilijk maakte was dat ze de sociale spelregels tussen mannen en vrouwen niet altijd goed las. Zo was in haar cultuur het spel heel direct. Wanneer een man een vrouw recht aankijkt en openlijk naar haar lacht, is daarmee meteen duidelijk dat hij een zekere vorm van aandacht van je verlangt. In Nederland is het spel niet alleen veel minder direct, maar ingewikkelder, een man kan je hier lachend aankijken zonder dat hij daarmee nou per se bepaalde bijbedoelingen heeft.

Ik liet haar stukje bij beetje allerlei aspecten van de Nederlandse cultuur beleven. Ik nam haar mee naar een mooi restaurant, zo zijn we ook eens naar het Kurhaus in Scheveningen gegaan. Zij vond het schitterend en genoot zichtbaar volop, als een ober haar daarbij beleefd vriendelijk met een open glimlach begroette.

Hoewel zij oorspronkelijk uit een Islamitisch land kwam, wilde ze dat geloof niet meer openlijk belijden en ook geen hoofddoek meer dragen. Ze had het er moeilijk mee om daar tegenover haar zus voor uit te komen. Dat werden heel emotionele discussie. Ik hiel haar daarbij steeds voor: “Houd van jezelf, heb vertrouwen in jezelf. Als jij geen hoofddoek wil, is dat alleen aan jou.” Ik simuleerde haar om steeds in dit soort grote en kleine kwesties zelfstandige, onafhankelijke keuzes te maken. Op het moment dat zij haar hoofddoek afdeed, zag ik dat als een teken dat ze meer afstand kon nemen van haar verleden en zich sterker voelde naar haar toekomst.

Op een geëigend moment heb ik een mannelijke begeleider uit onze organisatie voorgesteld als mede begeleider. Dat was behoorlijk spannend. Al die tijd was er geen enkele man bij haar het huis ingekomen. Onzeker hoe het uit zou pakken heb ik hem dus wat behoedzaam aan haar voorgesteld en met succes. De connectie was en bleef vanaf de eerste ontmoeting goed.

Op de achtergrond bleef ik natuurlijk nauwlettend monitoren. Ik hield met haar regelmatig telefonisch contact. Onder de begeleiding van de mannelijke collega vond ze de motivatie om de Nederlandse taal te leren. Ze ging toekomstgericht doelen stellen, haar rijbewijs halen, studeren. Steeds één stap tegelijk nemend werkten we aan de meest praktisch haalbare doelen. Het belangrijkste was dat zij zelfvertrouwen ontwikkelde. Ik werd getuig van hoe ze van haar nieuwe, hervonden zelf leerde houden.

Ze heeft een enorm groeiproces doorgemaakt: van een gebroken angstig en kwetsbaar wezen naar een zelfbewuste dame met plannen en dromen, die plots in haarzelf durfde te geloven. Dat gin met vallen en opstaan en ook wel met de nodige verwarring gepaard, want wanneer je het verleden los moet laten, om de toekomst aan te gaan, ben je in het hier en nu soms de grond onder je voeten helemaal kwijt. Je moet alles los durven laten om een heel nieuw begin te maken, om een nieuwe identiteit aan te nemen. En dat kan je niet vanuit angst, alleen uit vertrouwen.

In totaal hebben wij haar vier jaar begeleid. Twee manden geleden heeft zij mij gebeld. Ze heeft werk gevonden en was daar dolblij over.

  • Bron: Het nieuwe thuis – verhalen uit de praktijk | TalenTonen Zorg en ontwikkeling

Penvriendinnen

penvriendinnen

  • Ik moest een achterstand inlopen

Carine Berendsen onderging op haar 12e en 23e een niertransplantatie. De eerste keer ging er een periode van bijna twee jaar lang dialyseren aan vooraf. De tweede keer duurde het drie jaar voordat de transplantatie plaats kon vinden, ook al stelde haar vader zijn nier beschikbaar. ‘Vooral tijdens de perioden voor de transplantatie voelde ik mij eenzaam, omdat ik niet kon meedoen.’

‘Van mijn negende tot mijn twaalfde zat ik drie keer per week in het ziekenhuis aan een grote dialysemachine in plaats van op school. Tijdens de pauzes stond ik alleen bij een muurtje vlak bij de ingang. Soms hielden een paar klasgenootjes mij gezelschap. De andere kinderen speelden en renden op het schoolplein. Na schooltijd was ik moe en zat ik thuis op de bank.’

Andere wereld

‘Mijn belevingswereld was een totaal andere dan die van de andere kinderen. Ik miste de aansluiting in een fase waarin veel gebeurt. We woonden vlak bij school. Ik herinner mij nog hoe ik soms vanuit mijn slaapkamer lag te luisteren naar de kinderen op het schoolplein. Dan voelde ik mij heel alleen. Na de eerste transplantatie ging ik naar de mavo. Ik was voor het eerst gezond en kon met de anderen meedoen. Vooral in het begin ervoer ik een verschil; ik had in het ziekenhuis tussen ernstig zieke patiëntjes gelegen, terwijl anderen zich om kleine dingen druk maakten. Ik moest een soort achterstand op het gewone leven inlopen, maar dat lukte steeds beter.’

Onbegrip

‘Op mijn 21e zat ik op een hbo en had ik een bijbaantje als GGZ-verpleegkundige, toen ik hoorde dat ik weer een nieuwe nier nodig had. Na een verkeerd advies van een begeleider stopte ik abrupt met mijn opleiding.’

‘Uiteindelijk kreeg ik de nier van mijn vader pas drie jaar later, omdat mijn nier nog net niet slecht genoeg was. In die periode voelde ik mij opnieuw alleen, ik zat hele dagen thuis te wachten. Om dat te doorbreken, ging ik psychologie studeren. Mij werd geadviseerd om deel te nemen aan de introductieweek. Maar een week bier drinken en door de stad sjouwen mislukte met een nier die maar voor 15% werkte. Ik moest gelijk al uitleggen dat ik nierpatiënt was en niet echt kon meedoen. Bovendien miste ik hierdoor een deel van het eerste semester. Dergelijke ‘studieadviezen’ voelde als onbegrip, omdat mijn studiebegeleiders zich geen voorstelling konden maken van mijn situatie en mij er niet naar vroegen. Ook het ontbreken van een goed transplantatiebeleid ervoer ik als onbegrip voor nierpatiënten.’

Penvriendinnen

‘Ik denk dat sociale media en Skype het gemakkelijker maken om vriendschappen en contacten te hebben als je ziek bent. Je kunt in verschillende kringen andere dingen delen. Ik heb nu een zoontje van een jaar waarover ik blog. Vanaf mijn twaalfde jaar had ik veel penvriendinnen; ik kreeg soms wel dertig brieven op een dag en schreef zelf ook veel. Zo kon ik gewoon als Carine deel uitmaken van een gezonde wereld van mensen die ook fan waren van Bon Jovi.’ 

  • Bron: Chronische ziekte en  eenzaamheid Verhalen uit de praktijk – Patiëntenfederatie Nederland.

‘Of ik knok of ik beland op de straat’

misbruik.png

  • Sofie

Wie mij niet kent, zal niet vermoeden welk pad er achter me ligt en hoeveel moeite het me heeft gekost om hier te komen. Ik heb een mooi gezin, maatschappelijk relevant werk, ben sociaal goed aangesloten en sta positief in het leven. Kortom, veel om dankbaar voor te zijn. Toch draag ik ook dat zware, eenzame verleden met mij mee, dat mijn leven nog elke dag beïnvloedt. Dit is het contrast waarin ik leef. En ik besef dat ik hierin niet de enige ben.

Al heel jong werd ik slachtoffer van misbruik door een buurman. Hij was een familievriend, iemand met aanzien in ons katholieke dorp. Het ingewikkeldste aan mijn verleden is dat de ruimte ontbrak om te delen wat er speelde. Intuïtief heb ik dit altijd aangevoeld, maar echt duidelijk werd dit toen ik niet meer anders kon dan vragen stellen. Vanaf dat moment gingen stukje voor stukje de luiken open van het mysterie dat ik met me meedroeg en begreep ik waarom ik zo gruwelijk in de war was. Die hele setting, die mooie familie waar iedereen bij elkaar over de vloer kwam, bleek onvoorstelbaar onveilig om in op te groeien.

Er waren tekenen. Als kleuter had ik last van blaasontstekingen, bloedarmoede en ik huilde veel.

Ik stortte helemaal in. Niet eerder durfde ik zijn naam hardop uit te spreken.

Als twaalfjarige schreef ik in een dagboek: ik word later directeur van het Rode Kruis of hoer, of ik knok of ik beland op de straat. Een heftig beeld. Het heeft me beschermd dat ik altijd goed heb kunnen leren en dat ik kon blijven functioneren, wat er ook speelde.

Op m’n zeventiende liep ik hersenletsel op door een fietsongeluk en vanaf dat moment kon ik niet langer zeggen dat het goed ging. Ik was angstig, in de war en viel steeds zomaar neer. Epilepsie dacht men, maar het was dissociatie. Dit ‘wegvallen’ komt eigenlijk alleen voor bij mensen die zwaar getraumatiseerd zijn. Ik had voortdurend flashbacks en nachtmerries, en voelde steeds rillingen over mijn rug lopen. Ik ben zelfs opgenomen geweest in een epileptisch centrum, waar ik in een groep zat met allemaal mensen die misbruikt waren. Maar toch kwam ik niet bij mijn eigen ervaring.

‘Zou het kunnen dat…?’

Bij de eerste ontmoeting met mijn man was er iets dat ik herkende. Ik zag het aan zijn ogen. Hij bleek een verschrikkelijke jeugd te hebben gehad. Om die reden was voor hem niets te gek, alles mocht er zijn. Soms moeilijk, maar óók de kracht van onze relatie.

De jaren vlogen voorbij. Ik volgde therapieën, rondde m’n studie af en deed werk waarin ik me inzette voor de Rechten van het Kind. Dolblij was ik met mijn eerste zwangerschap. 27 was ik, maar direct voelde ik dat ik heel hard met mezelf aan de slag moest. Mijn schoonzus raadde lichaamswerk aan. Een extreme pijn in mijn kruis voelde ik toen de therapeut haar hand op mijn onderrug legde. Ik huilde als nooit tevoren.

Een paar weken later, inmiddels vier maanden zwanger, zaten we bij mijn ouders aan het kerstontbijt. Opeens kreeg ik een flashback die ik al vaker had gehad, de bevriende buurman droeg mij als klein meisje op een manier die niet oké was. ‘Zou het kunnen zijn dat oom Toon niet lief voor kinderen was?’, vroeg ik. Mijn moeder kreeg grote ogen en riep: ‘Ja!’. Mijn vader zei er achteraan: ‘Met je moeder is dit ook gebeurd.’

Ik stortte helemaal in. Niet eerder durfde ik zijn naam hardop uit te spreken. De twee weken erna kreeg ik de ene flashback na de andere. Maar weet je wat het is, je geheugen is kapot, dus ik moest ook veel vragen aan mijn ouders. Door mijn moeders verleden konden mijn ouders er moeilijk over praten, waardoor ik heel ingewikkelde informatie kreeg. Dan zei mijn moeder: ‘Nu weet ik het weer, op een dag kreeg ik een telefoontje van de kleuterschool dat je zonder onderbroek op school was aangekomen.’

Of mijn vader: ‘Je rende zelf altijd naar hem toe.’ Dat is er zo verwrongen aan: ik was natuurlijk heel speciaal voor hem. Aan de oppervlakte kwam hoe beschadigd ik was.

Het dieptepunt was dat ik weeën kreeg op oudjaarsavond. De huisarts kwam meteen en gaf mij een kalmeringsmiddel. ‘Je moet nu rustig worden, anders verlies je je kind’, zei hij. Dit gaat hij me niet ook nog aandoen, dacht ik. Ik nam me voor met mijn verleden te gaan dealen. Het was heel naar, maar ergens was ik opgelucht: hè hè, nu kan ik beginnen met leven. Ik had verdriet, maar aan de andere kant voelde ik me krachtig en bovendien zeer verbonden met het mannetje in mij.

Ik was de eerste die erover sprak in mijn familie.

De afgelopen twintig jaren heb ik af en aan therapie gehad en is er langzaam een completer beeld ontstaan van al die verwarrende herinneringen. Ik was de eerste in mijn familie die over misbruik sprak. En die last is enorm. Ik bleek een van de velen te zijn die dit was overkomen, maar iedereen bleef het verzwijgen en vrijwel niemand verleende steun. ‘Krijgen alle verhalen nu pootjes?’, kreeg ik van ooms en tantes te horen. En zelfs: ‘Alle kinderen werden vroeger verkracht.’ Dit geeft zo’n kou, bijna niet te doen.

Het is zo belangrijk om beschadigde kinderen een veilige plek te bieden. Dat zij van iemand horen dat wat je ook doet of wat je ook te vertellen hebt, ‘het mag er zijn’. Met de juiste steun heeft een mens enorme veerkracht. Ik red het dankzij mijn man en een paar krachtige vriendschappen. Door de posttraumatische stressstoornis (PTSS) heb ik voortdurend dingetjes. Een gesprek zoals dit brengt me terug naar de grote eenzaamheid in mij. Maar ik heb me voorgenomen: vandaag mag ik lekker huilen, en straks als ik thuis ben, doe ik de haard aan, knuffel ik de kinderen en weet ik dat morgen een nieuwe dag aanbreekt.

Mijn verleden heeft me ook veel gebracht, zoals diepgang en empathisch vermogen. Ik ben dankbaar voor wat er wél is, kan enorm genieten en kan heel veel aan. Ik ben niet bitter geworden. En dat is bijna een soort zoete wraak aan hem.’

Download het verhaal als pdf

30 verhalen over wat helpt

Je las nummer 2 van de 30 verhalen in het kader van ‘een jaar lang, de Week tegen Kindermishandeling’.

Bron: weektegenkindermishandeling.nl